ECLI:NL:PHR:2013:BX6640
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad over vervaardiging van onroerende zaak bij verbouwing en splitsing
In deze zaak staat centraal of de verbouwing van een pand, waarbij het is gesplitst in winkelruimtes en woonappartementen, heeft geleid tot de vervaardiging van een nieuwe onroerende zaak in de zin van de Wet op de omzetbelasting 1968. De verbouwing vond plaats tussen 2002 en 2004 en betrof onder meer het vervangen van het dak, het verhogen van vloeren, het aanpassen van toegangen en het creëren van zelfstandige wooneenheden.
De Rechtbank en het Hof concludeerden dat geen sprake was van vervaardiging, omdat de verbouwing niet zodanig ingrijpend was dat in wezen nieuwbouw had plaatsgevonden. Het uiterlijk en de bouwkundige identiteit van het pand bleven herkenbaar en de wijzigingen werden als restauratie beschouwd. De Staatssecretaris van Financiën stelde cassatie in tegen deze uitspraken.
De conclusie van de Advocaat-Generaal benadrukt dat het begrip 'vervaardigen' een communautair begrip is en dat het HvJ EU in eerdere arresten heeft bepaald dat vervaardiging inhoudt het voortbrengen van een goed dat tevoren niet bestond. Bij onroerende zaken betekent dit dat er sprake moet zijn van in wezen nieuwbouw. Daarbij is de bouwkundige identiteit en de mate van radicale vernieuwing doorslaggevend, niet de functiewijziging of de splitsing in appartementsrechten.
Verder wordt toegelicht dat bij de beoordeling van vervaardiging het gehele pand als bouwwerk moet worden beschouwd, en niet de afzonderlijke units zoals winkelruimtes of appartementen, omdat deze geen zelfstandige bouwwerken zijn. De conclusie adviseert de Hoge Raad het beroep van de Staatssecretaris gegrond te verklaren en de zaak te verwijzen voor verdere beoordeling van de vraag of sprake is van vervaardiging.
Uitkomst: Het beroep van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard en de zaak wordt verwezen voor nadere beoordeling of sprake is van vervaardiging van een nieuwe onroerende zaak.