Conclusie
Het middelbehelst twee klachten, die achtereenvolgens zullen worden besproken. Ten eerste klaagt het middel over de verwerping door de rechtbank van het verweer dat de tijd gedurende welke de veroordeelde in Nederland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht – en waarvan de vervolging is gestaakt – zag op hetzelfde feitencomplex als het onderhavige, en derhalve op de straf in mindering moet worden gebracht. Het middel stelt ten tweede dat het oordeel van de rechtbank dat de vrijheidsbenemende periode waaraan de verdediging heeft gerefereerd niet een periode betreft zoals bedoeld in art. 31 WOTS Pro en/of art. 38 van Pro de Overleveringswet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, althans onvoldoende is gemotiveerd.
“5. Verweer m.b.t. voorarrest Nederlandse strafzaak
“6. Weigeringsgrond zoals bedoeld in art. 9, eerste lid, onder a, OLW
ten eerstede klacht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de tijd die de veroordeelde in Nederland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in de periode van 9 september tot 27 november 2009 niet in mindering op de straf hoeft te worden gebracht. Het feitencomplex dat aan die voorlopige hechtenis ten grondslag lag (en waarvan de vervolging is gestaakt) betreft volgens de steller van het middel hetzelfde feitencomplex als het onderhavige waarvoor de opgeëiste persoon bij uitspraak van de internationale rechtshulpkamer in de rechtbank Amsterdam van 1 juni 2011 is overgeleverd aan Frankrijk. Dit blijkt uit het uittreksel justitiële documentatie van 6 september 2012 betreffende de veroordeelde, met daarop vermeld de zaak met parketnummer 10/600195-09, waarnaar de raadsman van de veroordeelde ter zitting heeft verwezen.
anderestrafbare feiten (namelijk overtreding van de Wet wapens en munitie) dan de feiten ter zake waarvan in Frankrijk de gevangenisstraf is opgelegd waarvoor thans verlof tot tenuitvoerlegging wordt verleend. Dat standpunt vindt steun in voornoemd uittreksel betreffende verdachte, waarop eveneens overtredingen van de Wwm staan vermeld.
de Minister van Veiligheid en Justitie (…) een stakingsbeslissing heeft doen uitgaan ten aanzien van het deelnemen aan een criminele organisatie en het opzettelijk overtreden van artikel 3 van Pro de Opiumwet betreffende een hoeveelheid hasjiesj van 1790 kilogram in september 2008”. De bestreden uitspraak houdt onder ‘motivering van de strafoplegging’ in dat het “
gaat om medeplegen aan smokkel naar Frankrijk van 1790 kilogram cannabishars”.
medeter zake van het strafbare feit dat ten grondslag ligt aan de gevangenisstraf waarvan bij het bestreden vonnis de tenuitvoerlegging is toegestaan. Het oordeel dat niet blijkt in welk juridisch kader de veroordeelde enige tijd in voorarrest heeft doorgebracht, is dan ook niet begrijpelijk. Het middel slaagt in zoverre.
ten tweedede klacht dat onder ‘de tijd gedurende welke de veroordeelde in de vreemde Staat ter uitvoering van de hem aldaar opgelegde sanctie van zijn vrijheid beroofd is geweest’ als bedoeld in art. 31, tweede lid, WOTS, moet worden begrepen de in de vreemde Staat in voorlopige hechtenis doorgebrachte tijd. Daarbij refereert de steller van het middel onder meer aan HR 1 november 2011, LJN BT1875 en HR 9 februari 2010, LJN BK7086. Voorts verwijst de steller van het middel, naar ik begrijp naar analogie, naar de in casu niet toepasselijke Wet van 12 juli 2012 tot implementatie van kaderbesluit 2008/909/JBZ van 27 november 2008 en kaderbesluit 2009/299/JBZ van 26 februari 2009 van de Raad van de Europese Unie inzake de toepassing van het beginsel van wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging vrijheidsbenemende en voorwaardeljke sancties (de WETS). In het tweede lid van art. 2:15 [1] van die wet is het in mindering brengen van in Nederland in detentie doorgebrachte tijd geregeld. Redelijke wetstoepassing brengt volgens de steller van het middel met zich dat ook in onderhavige zaak [2] de tijd die de veroordeelde in Nederland in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht in mindering moet worden gebracht om recht te doen aan de steeds verdergaande internationale samenwerking van lidstaten en de belangen van de veroordeelde.
c. This provision applies to any part of the sentence already served in the sentencing State as well as any provisional detention served during remand in custody prior to conviction, or any detention served during transit.” [4]