ECLI:NL:PHR:2013:942

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
18 juni 2013
Publicatiedatum
10 oktober 2013
Zaaknummer
11/05430
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 38m SrArt. 81 ROArt. 365a SvArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging diefstal en oplegging ISD-maatregel na onbeperkt cassatieberoep

Het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 23 augustus 2011 het vonnis van de rechtbank Breda bevestigd, waarin verdachte werd veroordeeld voor diefstal van een krat met twaalf lege flessen en een ISD-maatregel van twee jaar werd opgelegd.

Verdachte stelde in hoger beroep en cassatie dat hij dacht toestemming te hebben om het krat mee te nemen, waardoor het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening zou ontbreken. Het hof oordeelde dat dit niet aannemelijk was en dat verdachte wist dat hij geen toestemming had. De Hoge Raad onderschrijft deze motivering en wijst de middelen af.

Daarnaast werd geklaagd over de motivering en rechtmatigheid van de ISD-maatregel. Het hof en de Hoge Raad oordeelden dat de maatregel passend was gezien de recidive en problematiek van verdachte, ondanks de beperkte medewerking aan onderzoeken en begeleiding door het ACT-team. De klachten over disproportionaliteit en motivering faalden.

Ook werd een klacht over de bewijsaanvulling verworpen, waarbij werd geoordeeld dat de late aanvulling geen nietigheid oplevert en geen nadeel voor verdachte veroorzaakt.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt het arrest van het hof.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt veroordeling voor diefstal en oplegging ISD-maatregel van twee jaar.

Conclusie

Nr. 11/05430
Mr. Harteveld
Zitting 18 juni 2013
Conclusie inzake:
[verdachte]
Het Gerechtshof te ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 23 augustus 2011 het vonnis van de rechtbank Breda van 15 februari 2010 bevestigd, waarbij verdachte ter zake van “diefstal” is veroordeeld en de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders is gelast voor de duur van twee jaar.
Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. C. Waling, advocaat te ‘s-Gravenhage, heeft een schriftuur ingezonden, houdende drie middelen van cassatie en een aanvullende schriftuur, houdende één middel van cassatie.
2.1. In de cassatieschriftuur is het volgende opgenomen omtrent de omvang van het cassatieberoep:
“Omvang van het cassatieberoep
Dit cassatieberoep is beperkt en richt zich niet tegen de deelvrijspraken van het tenlastegelegde zoals die terzake van "of omstreeks" "in elk geval enig goed, geheel of ten dele" en "/ [betrokkene 1] , in elk geval een ander of anderen dan aan verdachte". Die beperking zal ook door middel van een akte (gedeeltelijke intrekking van beroep in cassatie) worden geformaliseerd.”
Ondanks de aankondiging in de schriftuur is een beperking van het cassatieberoep door middel van een nadere akte van intrekking niet geformaliseerd. De genoemde onderdelen van de tenlastelegging betreffen echter ‘stukjes’ vrijspraak uit een overigens enkelvoudige tenlastelegging. Gelet op (onder meer) het arrest van de Hoge Raad van 31 mei 2013, LJN CA1610 zou het uitsluiten daarvan een niet-toegelaten beperking hebben ingehouden. De Hoge Raad overwoog in dit arrest onder meer:
“2.3. Niet elke beperking van het cassatieberoep kan echter worden aanvaard. Zo is in het verleden reeds geoordeeld dat moet worden voorkomen dat als gevolg van een cassatieberoep dat zich niet uitstrekt over zogenoemde deelvrijspraken - dus vrijspraken van onderdelen van de tenlastelegging - de verdachte na verwijzing (of terugwijzing) van de zaak moet worden vrijgesproken van de gehele tenlastelegging op grond van de enkele omstandigheid dat de verwijzingsrechter met betrekking tot een - rechtens niet noodzakelijke - keuze tussen voor de strafrechtelijke waardering van het tenlastegelegde niet relevante alternatieven tot een ander oordeel komt dan de rechter wiens uitspraak in cassatie is vernietigd (vgl. HR 18 september 1989, LJN ZC8164, NJ 1990/135 ten aanzien van het vroegere art. 430 Sv Pro). Daaraan kan worden toegevoegd dat ook meer in het algemeen moet worden vermeden dat de verwijzingsrechter als gevolg van het beperkte cassatieberoep niet meer in staat zou zijn het beslissingsschema van de art. 348 en Pro 350 Sv in acht te nemen of anderszins niet meer naar behoren (opnieuw) recht kan doen op het bestaande hoger beroep. Beperkingen in het cassatieberoep die dat effect kunnen hebben, acht de Hoge Raad ontoelaatbaar.”
Nu de Hoge Raad, zoals nog eens expliciet blijkt uit het voornoemde arrest, als uitgangspunt hanteert dat, voorzover aan het cassatieberoep wel beperkingen aangebracht mogen worden, zulks – in beginsel - bij (nadere) akte dient te geschieden is er geen aanleiding aan de onderhavige ‘poging’ tot beperking processuele gevolgen te verbinden, zij blijft dus om in dezelfde termen te blijven absoluut ondeugdelijk. Conform de akte instellen cassatie is derhalve sprake van een onbeperkt beroep.
3.1. Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard dat:
“op 26 oktober 2009 te Breda met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een krat met (12) lege flessen (emballage/merk Lipton Ice)”
3.2. Deze bewezenverklaring steunt op de volgende, in het vonnis van de rechtbank opgenomen bewijsredenering:
“ [betrokkene 1] heeft namens CC’s, dat is gevestigd aan de Grote Markt in Breda, aangifte1 gedaan van diefstal. Hierbij verklaart hij dat op 26 oktober 2009 een geelkleurige krat emballage met daarin twaalf lege flessen liptonice is gestolen. Verdachte heeft verklaard2 dat hij over de Grote Markt is gereden en dat hij toen zag dat er kratten werden opgehaald. Hij heeft een krat meegenomen omdat hij geld nodig had voor een overnachting bij daklozenopvang ’t IJ. Hij wist dat hij deze krat niet mocht meenemen.
De rechtbank stelt op grond van de hiervoor vermelde verklaring vast dat het verdachte duidelijk is geweest dat hij geen toestemming had gekregen om de krat mee te nemen. Dat verdachte geen toestemming had gekregen, blijkt ook uit de aangifte. De door verdachte ter zitting afgelegde verklaring inhoudende dat hij uit oogcontact had begrepen dat hij de krat mocht meenemen zal dan ook ter zijde worden geschoven. Uit niets blijkt immers dat aan verdachte expliciet toestemming was verleend om het krat mee te nemen.
1 Het proces-verbaal van aangifte van [betrokkene 1] namens CC’s, pagina 17-18 van het proces-verbaal met dossiernummer 2009195970-1 van politie Midden- en West- Brabant, doorgenummerd van 1 tot en met 23.
2 De verklaring van verdachte, afgelegd ter zitting van 1 februari 2010.”
3.3. Het bestreden arrest van het hof houdt voorts nog in, voor zover van belang:
“In hoger beroep is van de zijde van de verdachte nog het volgende aangevoerd.
Door de raadsman van verdachte is bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van de ten laste gelegde diefstal omdat het oogmerk op de wederrechtelijke toe-eigening ontbreekt. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte in de veronderstelling verkeerde dat hij impliciet toestemming had gekregen om de krat met lege flessen mee te nemen.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte verklaard dat hij op de Grote Markt zonder expliciete toestemming een krat met lege flessen heeft meegenomen met de intentie om EUR 5,- te verdienen. Hij geeft voorts aan dat hij, uit oogcontact en omdat niemand hem aansprak, het gevoel had dat hij de krat mee mocht nemen. Door [betrokkene 1] is namens CC's, gevestigd op de Grote Markt te Breda, aangifte gedaan van diefstal van een krat, waarin twaalf lege flessen van het merk Lipton Ice zaten. Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit, aldus de aangifte.
Het hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat aan verdachte op enigerlei wijze toestemming is gegeven om de krat met lege flessen mee te nemen. Hetgeen verdachte in dat verband aanvoert over het 'oogcontact 'is daarvoor volstrekt onvoldoende. Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de krat met lege flessen heeft meegenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.
Het verweer wordt mitsdien verworpen.”
4.1. Het
eerste middel, dat klaagt dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen het “toebehoren aan CC’s” kan volgen, faalt. Noch de door de rechtbank vermelde feiten en omstandigheden, noch de in de hiervoor weergegeven overweging van het hof vermelde feiten en omstandigheden, houden inderdaad uitdrukkelijk in dat het krat met de 12 flessen Lipton Ice toebehoorde aan CC’s. Dat kan echter zonder meer worden afgeleid uit de door de rechtbank en het hof genoemde omstandigheid dat bedrijfsleider [betrokkene 1] van CC’s namens CC’s aangifte heeft gedaan van de diefstal van genoemd krat, en uit diens door het hof genoemde verklaring dat aan niemand het recht of de toestemming werd gegeven tot het plegen van dat feit.
5.1. Het
tweede middelklaagt dat de bewezenverklaring van het oogmerk op wederrechtelijke toeëigening ontoereikend is gemotiveerd, nu het hof aldus is afgeweken van het door en namens de verdachte ingenomen standpunt dat hij dacht dat hij het krat mee mocht nemen, zonder dat het hof in het bijzonder de redenen heeft opgegeven die daartoe hebben geleid.
5.2. Door en namens de verdachte is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de verdachte dacht dat hij toestemming had om de krat mee te nemen, nu hij uit oogcontact (met degenen die de kratten kwamen ophalen), en omdat niemand hem aansprak, begreep dat hij het krat mee mocht nemen. Hij wilde dus niemand bestelen, zodat het oogmerk op de wederrechtelijke toe-eigening zou ontbreken. Het hof heeft dat verweer verworpen met de hiervoor onder 3.3 weergegeven overweging. Daarin ligt als ‘s hofs oordeel besloten dat het onaannemelijk is dat de verdachte - mede gezien zijn wetenschap dat hij in de regel die kratjes niet mee mocht nemen - daadwerkelijk uit enkel oogcontact en het feit dat niemand hem aansprak heeft opgemaakt dat hij in dit geval de krat (wel) mee mocht nemen, dat derhalve de verdachte moet hebben geweten of beseft dat hij dat ook nu niet mocht, en dat hij door desalniettemin toch dat krat mee te nemen het oogmerk heeft gehad op wederrechtelijke toeëigening. Dat oordeel is, mede gelet op de tot bewijs gebezigde, door de verdachte afgelegde verklaringen, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
5.3.1. Ook de overige in de toelichting op het middel vervatte klachten kunnen niet tot cassatie leiden. De klacht dat de verdachte niet wist dat degenen met wie hij het oogcontact stelt te hebben gehad, niet de rechthebbenden waren en dat, zo lees ik de klacht, hij dus ook niet wist dat diegenen geen rechtsgeldige toestemming konden geven, stuit af op ’s hofs oordeel. Nu het hof heeft geoordeeld dat het onaannemelijk is dat de verdachte uit dat oogcontact toestemming voor het meenemen van de krat heeft afgeleid, is niet meer relevant of degenen met wie hij dat oogcontact zou hebben gehad de rechthebbenden waren.
5.3.2. Voor zover wordt geklaagd dat genoemde overweging van het hof de conclusie bevat dat de verdachte zonder expliciete toestemming het krat heeft meegenomen, zonder dat de daaraan ten grondslag liggende redengevende feiten en omstandigheden worden vermeld, faalt het. Het hof overweegt uitdrukkelijk dat de verdachte dat heeft verklaard terwijl zonder meer duidelijk is dat het hof dat heeft ontleent aan de hiervoor onder 5.2 genoemde door en namens de verdachte afgelegde verklaringen. Ik wijs er in dit verband op dat de raadsman heeft betoogd dat zijn cliënt kennelijk in de veronderstelling was dat hij “impliciet toestemming” had gekregen, waaruit het hof heeft kunnen afleiden dat volgens de verdachte geen sprake is geweest van expliciete toestemming. De klacht dat het hof met bedoelde overweging de mogelijkheid van impliciete toestemming heeft opengelaten, miskent dat het hof (daarna) heeft overwogen dat niet aannemelijk is geworden dat aan verdachte “op enigerlei wijze” toestemming is verleend. Daarin ligt besloten dat ook van impliciete toestemming naar het oordeel van het hof geen sprake is geweest. Dat de (door het hof bevestigde) overwegingen van de rechtbank en van het hof dat (mede) uit de aangifte zou blijken dat de verdachte geen toestemming had gekregen om de krat mee te nemen, een conclusie zou zijn zonder dat duidelijk is waaraan deze is ontleend, kan ik niet volgen. Zowel de rechtbank, als het hof noemt de - zich in het dossier bevindende - aangifte immers expliciet.
5.3.3. Dat het hof door te overwegen dat de verdachte “het gevoel had” dat hij de krat mee mocht nemen, verdachtes verklaring dat hij dat “dacht’ heeft gedenatureerd zie ik in het geheel niet. Beide uitdrukkingen duiden immers op een veronderstelling van de verdachte die impliceert dat hij de krat zich niet wederrechtelijk wilde toe-eigenen. Voor zover wordt geklaagd dat het hof (door bevestiging van het vonnis van de rechtbank) de verklaring van de verdachte inhoudend “rechters hebben mij vaak gezegd dat ik dat niet mee mag nemen, natuurlijk weet ik dat” heeft gedenatureerd door te overwegen dat de verdachte “wist dat hij deze krat niet mocht meenemen”, faalt het eveneens. Die verklaring is door de rechtbank en het hof kennelijk aldus begrepen dat de verdachte wist dat hij in de regel lege kratten niet mee mag nemen en dat dat dus ook voor dit krat gold. Dat de verdachte daarnaast heeft verklaard dat hij in dit geval dacht dat hij de krat wel mee mocht nemen doet aan die uitleg niet af.
5.4. Het middel faalt dus in al zijn onderdelen.
6.1. Het
derde middelklaagt dat het hof de (onvoorwaardelijke) oplegging van de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaar, mede gelet op een daaromtrent naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.
6.2. Het bestreden arrest houdt omtrent de oplegging van de ISD-maatregel het volgende in:

Op te leggen maatregel
De rechtbank heeft op vordering van de officier van justitie aan de verdachte de maatregel van plaatsing in een instelling voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van twee jaren opgelegd.
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal bevestigen en derhalve dat ook het hof de ISD-maatregel zal opleggen.
Namens verdachte is bepleit dat zal worden volstaan met oplegging van een voorwaardelijke ISD-maatregel.
Het hof kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de oplegging van de ISD-maatregel en maakt die tot de zijne. In aanvulling hierop overweegt het hof het volgende.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het hof kennis genomen van:
- de brief d.d. 27 oktober 2009, afkomstig van [betrokkene 2] , forensisch psychiater;
- het adviesrapport van Novadic-Kentron, opgemaakt door [betrokkene 3] , reclasseringswerker d.d. 10 december 2009;
- het de verdachte betreffend Pro Justitia rapport, opgemaakt door [betrokkene 4] , psycholoog d.d. 2 januari 2010;
- het de verdachte betreffend Pro Justitia rapport, opgemaakt door [betrokkene 5] , psycholoog d.d. 16 mei 2011;
- de brief van Novadic Kentron d.d. 25 mei 2011, betreffende 'retourzending rapportageverzoek', omdat betrokkene geen medewerking verleent.
Het onderzoek ter terechtzitting d.d. 22 maart 2011 is geschorst, teneinde - mede op verzoek van de verdachte - een psycholoog te benoemen om een (nieuw) rapport betreffende verdachte op te laten maken. Uit het voornoemde Pro Justitia rapport van drs. De Kuiper is gebleken dat verdachte opnieuw heeft geweigerd medewerking te verlenen aan het onderzoek en dat verdachte niet is verschenen op de geplande afspraken. Blijkens artikel 38m, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter een ISD-maatregel slechts opleggen, nadat hij een met redenen omkleed, gedagtekend en ondertekend advies over de wenselijkheid of noodzakelijkheid van de maatregel heeft doen overleggen. Indien dit advies eerder dan een jaar voor aanvang van de terechtzitting is gedagtekend, kan de rechter hiervan slechts gebruik maken met instemming van het openbaar ministerie en de verdachte. Echter, gelet op lid 5 van dit artikel, blijft het vierde lid buiten toepassing indien de verdachte weigert medewerking te verlenen aan het onderzoek dat ten behoeve van het advies moet worden verricht. Naar het oordeel van het hof vormt het feit dat verdachte zijn medewerking niet heeft verleend, waardoor er slechts beperkte rapportage beschikbaar is, op zich geen beletsel voor oplegging van de ISD-maatregel. Dat geldt ook voor het feit dat verdachte thans niet gemotiveerd is voor behandeling in het kader van de ISD-maatregel. De verwachting bestaat dat de verdachte tijdens de executie van de maatregel tot een ander inzicht zal komen.
Namens verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat moet worden afgezien van oplegging van een onvoorwaardelijke ISD-maatregel, aangezien verdachte thans wordt begeleid door het ACT (assertive community treatment)-team van de GGZ en een onvoorwaardelijke ISD-maatregel derhalve niet meer passend is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft [betrokkene 6], verpleegkundige bij het ACT-team, als getuige ter terechtzitting in hoger beroep een verklaring afgelegd, onder meer inhoudende dat verdachte sinds twee jaar in behandeling is en dat de laatste 3 à 4 maanden een stijgende lijn in het contact waarneembaar is.
Het hof stelt vast dat het bestaan van een recente verbetering in het gedrag van verdachte niet wordt ondersteund door het de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 23 mei 2011. Hieruit blijkt dat tegen verdachte op 9 maart 2011 en 12 april 2011 wederom verdenkingen zijn gerezen van het plegen van strafbare feiten terwijl verdachte momenteel opnieuw preventief gedetineerd is. De bejegening van het ACT-team lijkt derhalve niet toereikend om de recidive te doorbreken.
Op grond van het hiervoor overwogene acht het hof - met de advocaat-generaal en de rechtbank - de maatregel van plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders een passende sanctie. Het hof is niet gebleken van redenen waarom deze maatregel thans niet zou moeten worden opgelegd.”
6.3. Gelet op de voorgaande overwegingen van het hof, In samenhang bekeken met hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen, geeft de oplegging van de ISD-maatregel geen blijkt van een onjuiste rechtsopvatting, en is deze voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk. Hetgeen nu in cassatie wordt aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
6.4.1. In de toelichting op het middel worden op een weinig gestructureerde wijze verschillende klachten geformuleerd tegen de oplegging van de ISD-maatregel en de motivering daarvan. Bij een juiste, dus niet geforceerde of onwelwillende lezing van het arrest van het hof en bij hantering van een juiste, ook uit de jurisprudentie van de Hoge Raad kenbare rechtsopvatting zijn al deze klachten klaarblijkelijk ongegrond en heeft het dus ook geen zin deze zó in cassatie aan te voeren. Niettemin – art. 80a RO vindt (nog) geen toepassing in deze zaak - zal ik hierna per klacht uiteen zetten waarom deze geen doel treffen.
6.4.2. Ik stel voorop dat (i) anders dan de steller van het middel suggereert en (ii) ook de wet niet inhoudt dat oplegging van de ISD-maatregel slechts mogelijk is indien deze noodzakelijk is (of wordt geacht), het hof de oplegging van de ISD-maatregel niet enkel heeft gebaseerd op de omstandigheid dat de reclassering daarvoor geen contra-indicaties ziet dan wel op de omstandigheid dat het hof niet is gebleken van redenen waarom de maatregel thans niet zou moeten worden opgelegd. Die oplegging is immers blijkens de door het hof bevestigde overwegingen van de rechtbank en ’s hofs eigen overwegingen, onder meer gebaseerd op de vaststelling dat is voldaan aan de vereisten van art. 38m, eerste lid Sr, en de omstandigheid dat andere pogingen om tot re-integratie van de verdachte te komen, hem van zijn verslaving(en) af te helpen en de recidive te doorbreken, niet tot resultaat hebben geleid. Voorts wordt gesteld dat het hof opnieuw had moeten motiveren waarom er (zoals de rechtbank heeft overwogen) ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom misdrijven zou plegen, nu de rechtbank die verwachting heeft gekoppeld aan verdachtes houding ten aanzien van hulpverlening, en die houding een heel andere was ter terechtzitting in hoger beroep. Aan die klacht ga ik voorbij, reeds nu niet is aangegeven wat die veranderende houding dan precies zou inhouden en waaruit dat zou blijken. Gelet op hetgeen de rechtbank heeft overwogen, heeft de rechtbank voorts zowel expliciet als impliciet in voldoende mate blijk ervan gegeven zich te hebben vergewist dat is voldaan aan de voorwaarde dat de veiligheid van goederen de oplegging van de maatregel vereist. [1] Het hof was derhalve niet gehouden dat nader te motiveren, zoals de steller van het middel betoogt.
6.4.3. Voor zover wordt geklaagd over ’s hofs verwerping van het verweer dat de verdachte niet gemotiveerd is voor behandeling in het kader van de ISD-maatregel, geldt het volgende. Het hof heeft zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting overwogen dat die omstandigheid op zich geen beletsel is voor oplegging van die maatregel, dat is immers geen wettelijk vereiste. Voorts heeft het hof kennelijk onder meer uit het (door het hof genoemde) adviesrapport van reclasseringswerker [betrokkene 3] van Novadic-Kentron afgeleid dat de verwachting bestaat dat de verdachte tijdens de executie van de maatregel tot een ander inzicht zal komen. In bedoeld rapport is immers onder mee opgemerkt dat tijdens de gesloten fase van de uitvoering van de maatregel continue getracht zal worden om verdachte alsnog te motiveren om te komen tot een re-integratieplan, dat de maatregel als meest effectief middel wordt gezien om alsnog te komen tot re-integratie, en dat een grote ‘stok achter de deur’ constructie met de mogelijkheid tot hulp op alle leefgebieden is aangewezen.
6.4.4. Het oordeel dat de begeleiding door het zogenaamde ACT-team van de GGZ (en de resultaten daarvan) niet ertoe leiden dat van de onvoorwaardelijke oplegging van een ISD-maatregel moet worden afgezien, is voorts niet onbegrijpelijk. Het hof heeft overwogen dat de begeleiding door het ACT-team onvoldoende is gebleken om de recidive door verdachte te doen stoppen, gelet op onder meer recente verdenkingen van strafbare feiten op 9 maart en 12 april 2011, en het feit dat verdachte ten tijde van de behandeling in hoger beroep wederom preventief gedetineerd was. Daarin ligt als ’s hofs oordeel besloten dat van ondermijning van dat ACT-traject door de ISD-maatregel geen sprake zal zijn, nu dat traject immers niet of nauwelijks resultaat heeft opgeleverd en dus ook geen reëel alternatief meer is, zoals in de toelichting op het middel ook nog wordt opgemerkt. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Daaraan doet niet af dat ACT-verpleegkundige [betrokkene 6] en de verdediging kennelijk een andere mening zijn toegedaan, gelet op onder meer het feit dat (aldus [betrokkene 6] ter terechtzitting in hoger beroep van 9 augustus 2011) de laatste 3 à 4 maanden “een stijgende lijn in het contact waarneembaar” was. Het hof heeft in die stijgende lijn in het contact gedurende de laatste paar maanden van een - op dat moment kennelijk reeds twee jaar durende [2] - begeleiding door het ACT-team, kennelijk en niet-onbegrijpelijk onvoldoende reden gezien om aan te nemen dat de begeleiding door het ACT-team toereikend was om de recidive te doorbreken. Gelet op de aan de feitenrechter voorbehouden waardering van de feiten en omstandigheden, welke in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst, kunnen de klachten die erop neerkomen dat het hof in de begeleiding door het ACT-team reden had moeten zien om geen onvoorwaardelijke ISD-maatregel op te leggen, niet tot cassatie leiden.
6.4.4. De klacht tenslotte dat de ISD-maatregel een punitief karakter heeft en dat in het onderhavige geval de oplegging daarvan een schending van het evenredigheidsbeginsel is, nu de zwaarte van die straf niet in verhouding staat tot de ernst van het strafbare feit, faalt ook. Aldus wordt miskend dat de ISD-maatregel geen straf is (en dus niet een punitief karakter heeft), maar een maatregel die strekt tot beveiliging van de maatschappij en tot beëindiging van recidive door de verdachte (art. 38m, tweede lid, Sr). Er behoeft dus - zoals de rechtbank ook heeft overwogen - geen rechtstreeks verband te bestaan tussen de ernst van de gepleegde feiten waarvoor de veelpleger terecht staat en de zwaarte van de strafrechtelijke sanctie. Bij de oplegging van de ISD-maatregel is derhalve niet alleen het feit waarvoor de verdachte terecht staat van belang, maar ook de eerder gepleegde feiten en de veiligheid van de samenleving. Uit de rapportages over verdachte en hetgeen door de rechtbank is overwogen kan worden afgeleid dat het op alle leefgebieden slecht gaat met verdachte, dat hij steeds weer overlast en schade veroorzaakt en strafbare feiten pleegt, hetgeen sterk samen hangt met zijn verslavingsproblematiek, dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom misdrijven zal plegen, en dat de ISD-maatregel het meest effectieve middel is om alsnog tot re-integratie te komen. Gelet op de door rechtbank geschetste feiten en omstandigheden, is de gemaakte belangenafweging tussen de persoonlijke belangen van de verdachte en het maatschappelijk belang, en de uitkomst daarvan niet onbegrijpelijk. [3] Mede gelet op dat karakter van de ISD-maatregel heeft de rechtbank voorts zonder blijk te geven van een onjuiste rechtsopvatting en niet-onbegrijpelijk geoordeeld dat het reeds door de verdachte ondergane voorarrest niet in mindering dient te worden gebracht op de duur van de op te leggen maatregel. [4]
6.5. Het middel faalt dus in al zijn onderdelen.
7.1. Het
vierde middelklaagt over de door het hof opgemaakte ‘Aanvulling bewijsmiddelen’.
7.2. Het middel behelst ten eerste de klacht dat het hof het bestreden arrest heeft voorzien van een ‘Aanvulling bewijsmiddelen’ terwijl - gelet op de bevestiging in hoger beroep van het in eerste aanleg gewezen Promis-vonnis - geen sprake was van een verkort arrest. Die klacht berust kennelijk op de opvatting dat indien in hoger beroep het vonnis in eerste aanleg wordt bevestigd en dat vonnis een zogenaamd Promis-arrest betreft, dat dan de bewijsvoering in hoger beroep niet (mede) kan steunen op bewijsmiddelen die zijn opgenomen in een na het gewezen arrest opgemaakte aanvulling als bedoeld in art. 365a Sv. Die opvatting vindt echter geen steun in het recht. [5]
Voor zover voorts wordt geklaagd dat de aanvulling niet binnen de termijn van art. 365a, derde lid, Sv is opgemaakt, is het middel terecht voorgesteld. Nu op de niet-nakoming van die termijn geen sanctie is gesteld door de wetgever leidt dat echter niet tot nietigheid [6] , ook niet in een geval als in casu, waarin die aanvulling eerst is opgemaakt nadat de zaak reeds is ingestuurd naar de Hoge Raad. Ik merk ten overvloede nog op dat de in de aanvulling opgenomen verklaring van de verdachte min of meer in zijn geheel is vermeld in het arrest zelf, zodat ik ook niet zie in welk rechtens te respecteren belang de verdachte is geschaad door de vermelding in de aanvulling dan wel de late opmaking daarvan.
7.3. Het middel faalt.
8. De middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
9. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak zouden behoren te leiden.
10. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vgl. HR 29 mei 2007 LJN BA2549.
2.Getuige [betrokkene 6] heeft ter terechtzitting van 9 augustus 2011 verklaard dat hij verdachte kent als cliënt die in behandeling is bij het ACT en dat hij sinds twee jaar wisselende contacten heeft met verdachte.
3.Vgl. ook mijn ambtgenoot Aben in zijn conclusie voor HR 9 oktober 2012, LJN BX5504.
4.HR 6 maart 2007, LJN AZ777, NJ 2007/165.
5.Vgl. HR 28 augustus 2012, LJN BX3862.
6.HR 24 maart 1998, LJN ZD0988, NJ 1998/557.