Conclusie
3.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Middel 1is een inleiding en bevat geen zelfstandige klachten.
cumulatie: wanneer meerdere rechtsregels op een casus van toepassing kunnen zijn, worden zij naast elkaar toegepast [5] . Iedere rechtsregel dient zoveel mogelijk tot zijn recht te komen, zodat uitzonderingen op het cumulatiebeginsel slechts gerechtvaardigd zijn indien daarvoor deugdelijke argumenten bestaan, zoals wanneer toepassing van de verschillende in aanmerking komende rechtsregels resultaten oplevert die in strijd zijn met het stelsel of de strekking van de wet of die uit praktisch oogpunt onaanvaardbaar zijn. In dat geval geldt het beginsel van
alternativiteiten staat het de gerechtigde in beginsel vrij om te kiezen welke rechtsgevolgen hij wil inroepen of op welke rechtsgrond hij zich wil baseren [6] .
exclusieve werkingtenslotte kan slechts sprake zijn indien de wet zulks voorschrijft of onvermijdelijk meebrengt [7] .
voorafbiedt – vooral buitenlandse crediteuren zullen niet steeds tijdig van de voorgenomen splitsing op de hoogte geraken [17] om verzet in te kunnen stellen (art. 2:334l BW) en aanvullende zekerheden te vragen (art. 2:334k BW) – houden crediteuren ook na de splitsing nog toegang tot de voorzieningen van wijziging of ontbinding en daarmee samenhangende schadevergoeding (art. 2:334r BW) of het indienen van een schadevordering op grond van het aansprakelijkheidsregime van art. 2:334s en 334t BW. Uiteraard kunnen door een splitsing benadeelde crediteuren of de curator degenen die de splitsing hebben uitgelokt ook uit onrechtmatige daad aanspreken.
Van Sint Truiden [20] menen dat crediteuren ook ten aanzien van splitsingen een beroep kunnen doen op de actio pauliana. De auteurs onderbouwen deze stelling niet.
Löwensteyn [21] merkt nog op dat de crediteurenbescherming die de aan de splitsingsregeling verwante regeling voor fusies biedt, naast en niet in de plaats van andere beschermingsmechanismes staat. De actio pauliana ziet op benadelende rechtshandelingen, zodat alle rechtshandelingen die benadelend zijn in de zin van de actio door de betrokken schuldeiser kunnen worden vernietigd. Ik vraag mij af of de opmerkingen van Löwensteijn werkelijk relevant zijn. Zij hebben betrekking op een voorstel voor de Derde Richtlijn en zij zijn gemaakt, voordat er van enige Nederlandse implementatiewetgeving sprake was.
Koster [24] , Van Olffen/Buijn/Simonis [25] , Schoonbrood en Van der Hoek [26] ,
Verbrugh [27] en
Zaman/Van Eck/Roelofs [28] menen dat art. 2:334u BW een uitputtende regeling voor de vernietiging van splitsingen behelst.
alleenvernietigen” (onderstreping LT) op de in sub a-d van het artikellid genoemde gronden [31] . Dat betekent m.i. dat de pauliana-nietigheid in art. 2:334u ingebed dient te worden. Ik word in dat idee gesterkt door het hierboven geciteerde slot van art. 2:334u, lid 2 BW: een niet door de rechter vernietigde splitsing is geldig.