Conclusie
onderdeel Iaan dat het hof art. 25 Rv Pro heeft geschonden, althans een onbegrijpelijk oordeel heeft gegeven, door geen rekening te houden met de in het kader van de vraag naar de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene] door Estra ingeroepen stelling dat de beëindiging van diens mandaat niet is gepubliceerd, zodat deze omstandigheid niet aan derden kan worden tegengeworpen. De klacht faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft krachtens het toepasselijke Belgische recht vastgesteld dat de beëindiging van het mandaat van [betrokkene] niet expliciet is gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad (rov. 3.14). Het hof heeft voorts overwogen dat uit de wél in het Belgisch Staatsblad gepubliceerde stukken (in rov. 3.10 aangeduid als: ‘publicaties A, B, C en D’) voldoende duidelijk blijkt dat op 7 december 2004 het afgevaardigd bestuurderschap van [betrokkene] is geëindigd (rov. 3.24 in verbinding met rov. 3.14 t/m 3.16). Hierin overweegt het hof uitdrukkelijk dat ‘degene die deze beide publicaties [publicaties A en C, A-G] onder ogen krijgt, niet anders (zal) kunnen concluderen dan dat bij de vergadering van 7 december 2004 het mandaat van [betrokkene] als gedelegeerd bestuurder is beëindigd’. Hiermee heeft het hof de stelling van Estra in voldoende mate betrokken bij de beoordeling van de vraag of sprake is van een schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid van [betrokkene] die tegen derden kan worden ingeroepen. De uitleg die het hof aan de gedingstukken heeft gegeven, is voorts niet onbegrijpelijk. Tot een nadere motivering was het hof niet gehouden, te meer omdat het een kort geding procedure betreft.
Onderdeel IIvoert aan dat het hof zijn arrest niet met voldoende redenen heeft omkleed, nu het hof heeft overwogen dat uit de publicaties A t/m D kan worden afgeleid dat het mandaat van [betrokkene] was geëindigd en Estra derhalve geen beroep op de schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan doen. Het onderdeel bouwt op de voorgaande klacht voort en deelt het lot daarvan.