Conclusie
eerste middelberust op de opvatting dat het Hof niet zonder (nader) onderzoek had mogen aannemen dat de betrokkene afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand, althans dat het Hof zijn oordeel dat van een zodanige afstand kan worden gesproken, ontoereikend heeft gemotiveerd,
aangeziende betrokkene zich in een medebrengingssituatie bevond.
Dat betekent niet dat de zorg voor de verdediging steeds en zonder meer aan de verdachte kan worden gelaten. Dat geldt in het bijzonder indien een verdachte ten aanzien van wie de wetgever heeft voorzien in ambtshalve toevoeging van een raadsman, ervoor kiest om zichzelf te verdedigen en te kennen geeft afstand te willen doen van zijn recht op rechtsbijstand. Dan zal de rechter erop moeten toezien dat door die keuze aan het recht op een eerlijk proces niet wordt tekortgedaan. In een zodanig geval zal de rechter zich ervan moeten vergewissen dat de afstand van rechtsbijstand ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig is gedaan. Indien de rechter oordeelt dat daarvan sprake is en hij de keuze van de verdachte respecteert, zal hij tijdens de behandeling van de zaak bijzondere aandacht moeten schenken aan de positie van de verdachte. Dat geldt met name waar het gaat om het verstrekken van informatie die de verdachte voor zijn verdediging behoeft. In dat opzicht kan de verdachte immers tekortkomen omdat hij, anders dan met de regeling van de ambtshalve toevoeging is beoogd, geen bijstand van een rechtsgeleerde raadsman heeft. In dat tekort zal de rechter zoveel als mogelijk dienen te voorzien.
tweede middelbevat een tweetal klachten. In de eerste plaats wordt geklaagd dat het Hof het bevel tot medebrenging onvoldoende dan wel onbegrijpelijk heeft gemotiveerd, nu het Hof de medebrenging heeft bevolen zonder dat er een bevel tot verschijning ter terechtzitting was afgegeven. De tweede klacht houdt in dat het bevel medebrenging op onjuiste gronden is afgegeven. [5]
derde middelberust op de opvatting dat in de akte rechtsmiddel d.d. 8 oktober 2008 niet is gespecificeerd tegen welke uitspraak - te weten die in de hoofdzaak en/of die in de ontnemingszaak - de betrokkene in hoger beroep is gekomen.