Conclusie
Onderdeel Ivalt uiteen in zeven klachten (a t/m g). De klacht
onder aheeft betrekking op de door de vrouw ondertekende Nederlandse volmacht en de Franse
Procuration, welke documenten door het hof zijn betrokken bij de vraag of sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de zijde van de vrouw. De klacht faalt voor zover wordt betoogd dat het hof met de Franse
Procurationeen ander document voor ogen heeft gehad dan het door de Franse notaris opgestelde en ter ondertekening door de vrouw aan de Nederlandse notaris toegezonden document. Met de term ‘procuration’ duidt het hof, anders dan het onderdeel doet voorkomen, niet op de Franse vertaling van de op 5 september 2005 ten overstaan van een Nederlandse notaris verleden volmacht, maar op het stuk dat op 11 januari 2006 door de Nederlandse notaris werd ontvangen en op 26 januari 2006 met een Nederlandse vertaling naar de vrouw werd gestuurd. Dit blijkt duidelijk uit rov. 4.8 en 4.9, waarin het hof onderscheid maakt tussen de Nederlandse volmacht en de Franse
Procuration.
Procuration, faalt het eveneens. Het middel stelt op zichzelf terecht dat de Franse
Procurationgeen deel uitmaakt van de gedingstukken in feitelijke instanties. [3] Het bestaan van de Franse
Procurationwordt door partijen erkend, evenals de verplichting om dit stuk tijdig te ondertekenen en te retourneren aan de Franse notaris, opdat de levering van het kasteel vóór de door partijen afgesproken datum gerealiseerd kon worden. [4] Het partijdebat op dit punt beperkte zich uitsluitend tot de vraag of de vrouw de Franse
Procurationtijdig heeft ondertekend en geretourneerd. Om deze vraag te kunnen beantwoorden was het niet strikt noodzakelijk dat het hof beschikte over de Franse
Procuration.
onder bkan niet tot cassatie leiden, omdat de klacht is gebaseerd op de inhoud van de Franse
Procurationdie, zoals het cassatierekest zelf ook onderkent (p. 7/8), geen deel uitmaakt van de gedingstukken in feitelijke instanties.
onder ckan niet tot cassatie leiden, omdat het middel ten onrechte betoogt dat uit de overeenkomst van 5 september 2005 voor de vrouw niet de verplichting voortvloeit om de Franse
Procurationte ondertekenen. Uit de overeenkomst van 5 september 2005 volgt dat de verdeling en levering van het kasteel in Frankrijk in ieder geval binnen zes maanden na de beëindiging van het geregistreerd partnerschap zullen worden geëffectueerd (art. 3, II, onder c). Voor de effectuering van de levering was, naar het hof in rov. 4.9 heeft vastgesteld, naast een Nederlandse volmacht eveneens een door de vrouw ondertekende Franse
Procurationvereist. De klacht faalt eveneens waar betoogd wordt dat het hof ten onrechte beslissende betekenis heeft gehecht aan het feit dat de vrouw niet concreet heeft aangegeven op welke onderdelen van de Franse
Procurationzij behoefte had aan toelichting alvorens dit stuk te ondertekenen en terug te sturen naar de Franse notaris. De vrouw heeft de Franse
Procurationop 26 januari 2006 ontvangen en pas op 2 maart 2006 teruggestuurd na het stuk van haar handtekening te hebben voorzien. De verklaring die de vrouw geeft voor het tijdsverloop tussen 26 januari 2006 en 2 maart 2006 heeft het hof niet overtuigend geacht. De enkele mededeling dat zij nadere toelichting van de Nederlandse notaris behoefde, is daartoe volgens het hof niet voldoende. Dat oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk.
onder dfaalt omdat het oordeel van het hof in rov. 4.9 dat de vrouw zich met betrekking tot de nakoming van haar verplichtingen ten aanzien van de levering van het kasteel in Frankrijk niet met succes op overmacht kan beroepen, niet anders wordt wanneer met het middel wordt aangenomen dat bij de ondertekening van de Franse
Procurationop 2 maart 2006 op het Nederlandse notariskantoor de nodige toelichting op dit document was gegeven. De klachten
onder e en ffalen, omdat het oordeel van het hof dat de vrouw niet tijdig de Franse
Procurationheeft ondertekend en geretourneerd, overeind blijft wanneer met het middel wordt aangenomen dat de Franse
Procurationten overstaan van de notaris en ook door de notaris zelf ondertekend diende te worden. De klacht
onder gmist zelfstandige betekenis.
Onderdeel IIvalt uiteen in drie klachten (a t/m c). De klacht
onder ahoudt in dat het hof ten onrechte in rov. 4.9 heeft geoordeeld dat naast het verstrekken van de Nederlandse volmacht, ook het ondertekenen van de Franse
Procurationeen verplichting behelsde die voor de vrouw uit de overeenkomst van 5 september 2005 voortvloeide. De klacht is tevergeefs voorgesteld, aangezien een redelijke uitleg van de overeenkomst met zich brengt dat de vrouw alles in het werk diende te stellen om de levering van het kasteel aan de man te realiseren binnen de door partijen afgesproken periode. Het oordeel van het hof dat, voor zover de vrouw heeft gesteld dat de ondertekening van de Franse
Procurationniet nodig was voor de effectuering van de levering, zij haar standpunt onvoldoende heeft onderbouwd, is niet onjuist of onbegrijpelijk. De klacht
onder bbouwt op de voorgaande klacht voort en deelt het lot daarvan. De motiveringsklachten
onder ctegen het oordeel van het hof dat de vrouw tijdig aan haar verplichtingen had kunnen en moeten voldoen en dat niet heeft gedaan, kunnen evenmin tot cassatie leiden. Het bestreden oordeel van het hof is niet onbegrijpelijk en evenmin innerlijk tegenstrijdig. Uit de overeenkomst van 5 september 2005 vloeide voor de vrouw de verplichting voort om de Franse
Procurationte ondertekenen en tijdig terug te sturen. Daar dit document op donderdag 2 maart 2006 in Nederland was ondertekend, bestond een theoretische mogelijkheid dat de levering in Frankrijk uiterlijk op maandag 6 maart 2006 zou plaatsvinden; reëel was deze mogelijkheid in die visie van het hof echter niet. Dat oordeel is niet onjuist of onbegrijpelijk.
Onderdeel IIImist zelfstandige betekenis omdat het voortbouwt op de voorgaande onderdelen.