Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Behandeling van de klachten in het principaal cassatieberoep
tweede klachtvoert aan dat, voor zover het Hof het bovenstaande niet heeft miskend, zijn oordeel onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd. Hiertoe voert het middel een aantal gronden aan. Het hof is eraan voorbij gegaan dat in het protest, de zgn. "notice", ook het volgende was opgenomen: "Although the details of your proposed transaction to accompany any listing are unknown, from what we can tell, your transaction will not result in an IPO." Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet te begrijpen dat Priority niet zo goed als op dat moment mogelijk was, is geïnformeerd over de aard en/of omvang van de dreigende tekortkoming. Voor zover het Hof (impliciet) heeft geoordeeld dat Priority deze mededeling niet als klacht jegens háár behoefde op te vatten, is zijn oordeel onbegrijpelijk en in ieder geval ontoereikend gemotiveerd. Ook staat in de "notice" dat de "minority shareholders" (i.c. [eiser] c.s.) zich "all rights and defences" jegens onder andere Priority hebben voorbehouden. Aldus valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te begrijpen dat Priority de mededeling in de "notice" dat de voorgenomen transactie niet zou resulteren in een IPO, niet heeft behoeven op te vatten als een klacht die zich mede jegens haar richtte.
concreteklacht binnen bekwame tijd na het moment van ontdekken van de tekortkoming, maar ook op het ontbreken van vereenzelviging tussen UPC en Priority, merk ik op dat vereenzelviging slechts in een gering aantal gevallen wordt aangenomen en nauwe verwevenheid op zichzelf daarvoor onvoldoende is. [8] Nu het oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting op dit gebied, mist de klacht in cassatie juridische grondslag, althans is deze onvoldoende onderbouwd om tot en ander oordeel te komen.
derde klachtstelt dat het oordeel van het Hof dat geen sprake was van een 'protest' in de zin van art. 6:89 BW Pro onbegrijpelijk is, althans ontoereikend gemotiveerd in het licht van de stelling van [eiser] c.s. dat uit het prospectus volgt dat Priority op de hoogte was van de klachten en van het voorbehoud van alle rechten en ervan op de hoogte was dat die klachten zich ook tegen Priority richtten. Daarbij hebben [eiser] c.s. een aantal passages uit de “notice” geciteerd om deze klacht te onderbouwen.
vierde klachtvan dit onderdeel. Hierdoor waren zij op dat moment niet in staat om meer informatie op te nemen over de aard en/of omvang de dreigende tekortkoming. Tot slot is het oordeel van het Hof onbegrijpelijk nu [eiser] c.s. informatie werden onthouden door Priority (en UPC).
onderdeel 2richten zich tegen rov. 2.14 t/m 2.22 van het eindarrest van het hof. Hierin oordeelt het hof dat de uitgifte van preferente aandelen die na enkele jaren in gewone aandelen converteerbaar zijn en de omzetting van gewone aandelen in prioriteitsaandelen en de stelling van [eiser] c.s. dat de beursnotering van Priority in strijd met het Fondsenreglement en dus op onjuiste gronden tot stand is gekomen (onder andere gelet op de omvang van het door UPC gehouden belang in Priority en de omvang van de 'free float'), niet aan UPC kunnen worden tegengeworpen als een tekortschieten in haar inspanningsverplichting om een 'active public trading market' tot stand te brengen. Tevens richten de klachten van dit onderdeel zich tegen rov. 2.22 t/m 2.28 van het eindarrest. Hierin komt het hof tot het oordeel dat de omstandigheid dat als gevolg van de verslechterde marktomstandigheden geen 'active public trading market' kon ontstaan, in de risicosfeer van de aandeelhouders ligt en de beslissing van de aandeelhouders om hun aandelen niet te koop aan te bieden, de verhandelbaarheid negatief heeft beïnvloed. Samengevat is het hof van oordeel (evenals de rechtbank) dat UPC jegens de aandeelhouders niet tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende inspanningsverplichting tot het creëren van een ‘active public trading market’.
eerste klachtis gericht tegen rov. 2.14 t/m 2.28 van het eindarrest.
“UPC and UGC can exercise significant and determinative influence over Priority's operations, business strategy and all matters requiring approval by its shareholders. Even if Priority issues additional shares to non-affiliates in the future, UPC and UGC are likely to maintain control over Priority in a similar manner."Voorts is van belang dat UPC door de preferente aandelen in het kapitaal van Priority te nemen € 364 miljoen aan risicodragend vermogen aan Priority heeft verstrekt, waarmee zij aan de buitenwacht liet zien dat zij vertrouwen had in Priority. Uit het voorgaande volgt dat de aandelen Priority die de aandeelhouders in ruil voor hun aandelen Cignal hebben verkregen van meet af aan louter een financiële belegging waren.
eerste klachtvan het onderdeel is het oordeel dat UPC jegens de aandeelhouders niet tekort is geschoten in de nakoming van de op haar rustende inspanningsverplichting, onvoldoende gemotiveerd, omdat het Hof weliswaar een aantal stellingen die de aandeelhouders hebben betrokken ter onderbouwing van hun beroep op toerekenbare tekortkoming verwerpt, maar nergens motiveert dat UPC enige inspanning heeft geleverd om een 'active public trading market' te laten ontstaan. Ter onderbouwing komen [eiser] c.s. met een aantal voorbeelden waaruit dit zou blijken. O.a. stellen zij dat een voldoende 'free float' weliswaar een noodzakelijke voorwaarde is voor het ontstaan van een 'active public trading market', maar daarvoor op zichzelf nog niet voldoende is. Om voor een voldoende ‘free float’ te zorgen had UPC, zo stellen [eiser] c.s. (i) Priority nieuwe aandelen kunnen laten uitgeven, of (ii) door haar gehouden gewone aandelen kunnen laten herplaatsen, of (iii) een combinatie daarvan. Naast deze argumenten komen [eiser] c.s. met nog meer, ook in feitelijke instanties aangedragen stellingen.
tweede klachtvan het tweede onderdeel richt zich tegen rov. 2.23 van het eindarrest. Het oordeel van het Hof dat de beslissing van de aandeelhouders om hun aandelen niet te koop aan te bieden de verhandelbaarheid daarvan negatief heeft beïnvloed, is onbegrijpelijk in het licht van de vaststelling door het Hof in rov. 2.18 van het eindarrest en rov. 3.2.18 van het tussenarrest dat, hoewel er op basis van de zogenoemde Warrant Agreement 398.652 (extra) aandelen beschikbaar waren om geplaatst te worden, er uiteindelijk slechts 22.900 zijn geplaatst. De vraag naar het aandeel Priority was dus sowieso lager dan het aanbod. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is niet te begrijpen het oordeel dat de aandeelhouders de vraag naar het aandeel Priority negatief hebben beïnvloed door hun aandelen niet te koop aan te bieden. Rov. 2.13 luidt als volgt:
derde klachtvan dit onderdeel valt rov. 2.28 van het eindarrest aan. [eiser] c.s. stellen dat het oordeel dat de omstandigheid dat als gevolg van verslechterde marktomstandigheden geen 'active public trading market' kon ontstaan in de risicosfeer van de aandeelhouders ligt onbegrijpelijk is, althans onvoldoende gemotiveerd is. Dat niet valt in te zien dat verhoogde inspanningen van UPC, gezien de na 11 september 2001 ernstig verslechterde marktomstandigheden, op 27 september 2001 zouden hebben kunnen leiden tot een levendige handel in aandelen Priority, is ook onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd. Ter onderbouwing voeren [eiser] c.s. een aantal omstandigheden aan die zij ook in feitelijke instanties naar voren hebben gebracht:
- De omstandigheid dat UPC de beursnotering heeft beperkt tot bestaande aandelen en wel tot slechts 15%;
- De omstandigheid dat UPC de kapitaalsstructuur van Priority heeft gewijzigd. Hierdoor werd de omvang van de klasse te noteren aandelen verkleind en werden de aan die klasse aandelen verbonden zeggenschapsrechten ten opzichte van het totaal uitstaande aandelenkapitaal verkleind. Bovendien hield dit in dat UPC op afzienbare termijn Priority vrijwel geheel in handen zou kunnen krijgen door conversie van de preferente aandelen (waardoor het belang van de minderheidsaandeelhouders zou verwateren naar 0,9%).
vierde klachtvan dit onderdeel stelt dat het oordeel van het hof temeer onbegrijpelijk is, omdat het hof in zijn arrest van 13 september 2007 - in de parallelle procedure tussen UPC en een beperkt aantal Cignal aandeelhouders - eerder genoemde omstandigheden (de door UPC ondernomen stappen genoemd in de vorige klacht) ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat UPC wel tekort was geschoten in de nakoming van de op haar rustende inspanningsverplichting.
vijfde en laatste klachtvan het onderdeel richt zich ook tegen rov. 2.28 van het eindarrest en stelt dat het oordeel van het hof dat doordat de aandeelhouders niet hebben ingestemd met een uitstel van de IPO zij daarmee hebben aanvaard dat, als gevolg van het in 2001 aanzienlijk verslechterde beursklimaat, de vraag naar aandelen Priority (zeer) gering zou zijn, onbegrijpelijk is. Dit temeer nu [eiser] c.s. daarmee, naar zij uitdrukkelijk hebben gesteld, UPC geen kwijting hebben verleend van de inspanningsverplichting om te komen tot een 'active public trading market'. Integendeel, [eiser] c.s. hebben een beroep gedaan op de putoptie, aldus de klacht. Daaruit volgt dat [eiser] c.s. niet ‘voor lief' hebben genomen dat een IPO tot stand zou worden gebracht die niet resulteerde in een 'active public trading market'. Zij kozen immers voor een alternatief dat mogelijk werd gemaakt door de Shareholders Agreement, namelijk de uitoefening van de putoptie.
eerste klachtstelt dat het oordeel van het hof dat in het onderhavige geval een 'free float' percentage van 10% geldt, gebaseerd op Mededeling 2000-167, rechtens onjuist is, dan wel onbegrijpelijk, aangezien Mededeling 2000-167 niet van toepassing is op een (beurs)introductie door verhandeling als de onderhavige. Mededeling 2000-167 ziet enkel op IPO’s (Initial Public Offerings).
tweede klachtis het oordeel van het hof in rov. 2.16, 2.17 en 2.18 van het eindarrest dat in het onderhavige geval een 'free float' vereiste geldt van 10% omdat aannemelijk is dat Mededeling 2000-167 de desbetreffende artikelen van het Fondsenreglement (waaronder het 'free float'-vereiste van 25%) vervangt, rechtens onjuist, omdat de desbetreffende artikelen van het Fondsenreglement, in het bijzonder art. 49 Fondsenreglement Pro, niet opzij kunnen worden gezet door Mededeling 2000-167. De omstandigheid dat art. 49 Fondsenreglement Pro bepaalt dat het percentage van 25% door Euronext lager kan worden gesteld, indien sprake is van een zodanige spreiding onder het publiek dat een regelmatige werking van de markt wordt gewaarborgd, maakt het voorgaande niet anders, omdat deze dispensatie slechts ziet op individuele gevallen, waarvan hier geen sprake is en niet op een generieke verlaging zoals die van Mededeling 2000-167.
derde klacht,het oordeel van het Hof rechtens onjuist, dan wel ontoereikend gemotiveerd, in het licht van het betoog van [eiser] c.s. dat de 'free float' zich in het onderhavige geval bijna geheel buiten de Europese Unie bevond, terwijl op grond van 48 lid 1 Richtlijn 2001/34/EG en art. 49 lid 2 Fondsenreglement Pro sprake moet zijn van spreiding onder het publiek in één of meer lidstaten. Dat geldt ook indien Mededeling 2000-167 wel van toepassing zou zijn op de onderhavige (beurs)introductie. Ook in dat geval geldt dat (richtlijnconforme uitleg van Mededeling 2000-167 met zich brengt dat) sprake moet zijn van spreiding onder het publiek in één of meer lidstaten, aldus de klacht. Het Hof heeft dit een en ander miskend en daarmee blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting dan wel zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd door genoemd betoog van [eiser] c.s. zonde enige motivering te passeren.
vierde klachtkan ook de overweging van het Hof in rov. 2.16 van het eindarrest dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat in het onderhavige geval met een 'free float' percentage van 10% geen regelmatige werking van de markt zou zijn gewaarborgd, het oordeel niet dragen. Uit het feit dat in casu de 25% eis geldt, volgt dat met 10% geen regelmatige werking van de markt is gewaarborgd.
vijfde klachtbevat een veegklacht ten aanzien van bovenstaande vier klachten. Nu bovenstaande vier klachten niet slagen, behoeft deze klacht geen verdere behandeling.
zesde klachtvan het onderdeel is het oordeel van het Hof in rov. 2.18 van het eindarrest rechtens onjuist dan wel onbegrijpelijk. Volgens de klacht is het oordeel van het Hof in rov. 2.18 van het eindarrest dat inhoudt dat de aanvullende verplichting om gedurende zes maanden na de notering nog maximaal 398.652 gewone aandelen te plaatsen ervoor zorgde dat een plaatsing van meer dan 10% gegarandeerd was, rechtens onjuist, omdat het Hof heeft miskend dat uiterlijk op het moment van de toelating sprake moet zijn van voldoende spreiding. Voor zover het Hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk in het licht van het betoog van [eiser] c.s. dat dit in casu niet het geval was, alsmede op grond van de eigen vaststelling door het hof in rov. 2.18 van het eindarrest dat ondanks het door het hof vastgestelde tekort aan vrij verhandelbare aandelen van bijna 75.000 stuks, ter compensatie van dit tekort aanvullend slechts 22.900 gewone aandelen bij het publiek zijn geplaatst.
zevende klacht. Voor zover het Hof dit niet heeft miskend, is zijn oordeel onbegrijpelijk in het licht van 's Hofs eigen vaststelling dat het daadwerkelijke aantal geplaatste aandelen lager was dan 10%.
achtste klacht, in rov. 2.18 dat de stelling van [eiser] c.s., dat de beursnotering van Priority in strijd met het Fondsenreglement tot stand is gekomen, niet opgaat, ook rechtens onjuist omdat het Hof heeft miskend dat de beursnotering van het aandeel Priority ook niet voldeed aan de eis dat - op grond van art. 6 lid 1 Fondsenreglement Pro - een bedrag van € 22,7 miljoen effectief voor verhandeling beschikbaar moet zijn.
negende klacht, een veegklacht, kan in het licht van het voorgaande ook het oordeel van het hof in rov. 2.18 en 2.15 van het eindarrest niet in stand blijven, aangezien het voortbouwt op het onjuiste oordeel in rov. 2.16 t/m 2.19 van het eindarrest dat de beursnotering niet op onjuiste wijze tot stand is gekomen.
eerste klacht, onterecht van de redenering dat het 'private placement' weliswaar heeft geleid tot een vergroting van het belang van UPC in Priority, maar niet tot een wijziging van de zeggenschapsverhoudingen binnen Priority. Het oordeel van het Hof is onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, in het licht van het betoog van [eiser] c.s. dat de ingrepen in de kapitaalsstructuur door UPC en Priority wel degelijk gevolgen hebben gehad voor de zeggenschap van de minderheidsaandeelhouders. Het maakt verschil voor de zeggenschap van de minderheidsaandeelhouders of de grootaandeelhouder 84% dan wel 97,8% van de aandelen in zijn bezit heeft. Dit omdat de onderhavige vergroting tot een belang van meer dan 95% ertoe leidde dat UPC in beginsel de bevoegdheid verkreeg (na latere conversie van de preferente aandelen) om de minderheidsaandeelhouders op ieder moment uit te kopen. Met zijn overweging dat de aandelen Priority een louter financiële belegging waren, heeft het Hof daaraan voorbij gezien. Indien deze klacht slaagt, kan ook het oordeel van het Hof in rov. 2.21 niet in stand blijven, omdat het voortbouwt op het oordeel dat de aandelen Priority voor de minderheidsaandeelhouders louter een financiële belegging waren. [9]
“UPC and UGC can exercise significant and determinative influence over Priority's operations, business strategy and all matters requiring approval by its shareholders. Even if Priority issues addition al shares to non-affiliates in the future, UPC and UGC are likely to maintain control over Priority in a similar manner."Voorts is van belang dat UPC door de preferente aandelen in het kapitaal van Priority te nemen € 364 miljoen aan risicodragend vermogen aan Priority heeft verstrekt, waarmee zij aan de buitenwacht liet zien dat zij vertrouwen had in Priority. Uit het voorgaande volgt dat de aandelen Priority die de aandeelhouders in ruil voor hun aandelen Cignal hebben verkregen van meet af aan louter een financiële belegging waren.
beslissendezeggenschap geen wijziging is gekomen door de omzetting door UPC. Voor zover de klacht wil betogen dat vergroting van het aandeel van UPC tot een belang van meer dan 95% ertoe leidde dat UPC in beginsel de bevoegdheid verkreeg (na conversie van de preferente aandelen) om de minderheidsaandeelhouders op ieder moment uit te kopen, én dit gevolgen heeft gehad voor de liquiditeit van de aandelen, kan ook deze niet slagen. Het is twijfelachtig of die mogelijkheid tot (latere) uitkoop een negatief effect op de verhandelbaarheid heeft gehad. Het hof overweegt in rov. 2.21, onder verwijzing naar de waarborgen neergelegd in art. 2:92a BW dat, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien dat die mogelijkheid tot uitkoop een negatieve invloed op de verhandelbaarheid had. Ook in cassatie wordt niet uiteen gezet waarom dit het geval zou zijn. Voor zover het middel gericht is op het terzijde leggen van het door [eiser] c.s. aangedragen deskundigenrapport van Boot, kan ook dit niet slagen, nu het hof begrijpelijk en gemotiveerd naar voren brengt dat voor derden nooit de mogelijkheid heeft bestaan om door de aankoop van aandelen enige relevante zeggenschap te verkrijgen binnen Priority. Door te oordelen dat de aandelen (van meet af aan) een financiële belegging waren, is dit ook begrijpelijk. Tot slot is het aan het hof om partijdeskundigen en hun rapporten te waarderen. Bij de beoordeling van een dergelijk rapport heeft het hof slechts een beperkte motiveringsplicht. Het hof verwijst overigens ondanks die beperkte motiveringsplicht nog naar o.a. het Information Memorandum. In het licht van het bovenstaande is het oordeel van het hof noch rechtens onjuist, noch onbegrijpelijk.
tweede klachtvan het onderdeel. [10]
derde klachtstelt dat de overweging van het Hof in rov. 2.21 dat het vijfde lid van art. 2:92a BW de vaststelling van de uitkoopprijs met de nodige waarborgen omkleedt, er niet aan af doet dat de mogelijkheid van uitkoop een negatieve invloed op de verhandelbaarheid had. De uitkoopprijs wordt in het onderhavige geval vastgesteld terwijl er sprake is van een gebrek aan liquiditeit (verhandelbaarheid) wat derhalve vanaf het begin van de notering een duidelijke negatieve waarde-consequentie heeft en had. Bovendien had de omstandigheid dat de mogelijkheid van uitkoop vanaf het begin boven de markt hing duidelijk (negatieve) waarde-consequentie. Wanneer vervolgens de uitkoopprijs wordt vastgesteld, vindt dit plaats op basis van het gegeven dat er een gebrek aan liquiditeit is. In het licht hiervan valt niet in te zien dat de omstandigheid dat de vaststelling van de uitkoopprijs met de nodige waarborgen is omkleed, in dit verband enig gewicht in de schaal werpt.
tweede klacht, in strijd met art. 24 Rv Pro de feitelijke grondslag van het verweer van Euronext c.s. aangevuld, nu partijen er in feitelijke instanties vanuit zijn gegaan dat als IPO in de zin van de Shareholders Agreement slechts zou kwalificeren een beursgang die aan de toepasselijke regels voldeed en het partijdebat zich uitsluitend heeft gericht op de vraag of het Fondsenreglement dan wel Mededeling 2000-167 van toepassing was.
derde klachtvan dit onderdeel, is het oordeel van het hof in rov. 2.29 eveneens onbegrijpelijk in het licht van het betoog van [eiser] c.s. dat de beursregels, met name de 'free float' eis, er nu juist toe strekken, om voldoende verhandelbaarheid te bewerkstelligen. Naar het Hof in deze overweging zelf onderkent, is sprake van een IPO wanneer de notering leidt tot een 'active public trading market'. In het licht daarvan valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet te begrijpen dat partijen bedoeld zouden hebben af te spreken dat ook een beursnotering die niet aan de regels voldeed, voldoende zou zijn.
eerste klacht. Art. 22 Wet Pro toezicht effectenverkeer 1995 strekt ter bescherming van beleggers zonder daarbij onderscheid te maken tussen beleggers die via de effectenbeurs kunnen gaan beleggen in de effecten die tot de handel worden toegelaten en 'bestaande' aandeelhouders.
tweede klachtvan het onderdeel worden ter onderbouwing van de stelling dat het hof een onjuist oordeel heeft gegeven ook de volgende redenen gegeven:
eerste klachtkan dit onderdeel van het oordeel van het Hof niet in stand blijven indien een of meer van de klachten van onderdelen 1 tot en met 6 slaagt. Nu dit niet het geval is, behoeft deze klacht geen verdere behandeling.
tweede klacht, het oordeel van het Hof is onbegrijpelijk, omdat het er voor de beoordeling of Euronext Amsterdam tekort is geschoten jegens [eiser] c.s. door het faciliteren van de wanprestatie door Priority, niet toe doet of [eiser] c.s. ontvankelijk zijn in hun vordering tegen Priority. Dit laat namelijk onverlet dat nog steeds sprake kan zijn van een tekortkoming aan de zijde van Priority (en daarmee van het faciliteren van wanprestatie door Priority). Het Hof had moeten onderzoeken of Priority tekort is geschoten jegens [eiser] c.s. Door dat na te laten heeft het Hof zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd.
derde klachtkan in het licht van het voorgaande ook het oordeel van het Hof in rov. 2.36 niet in stand blijven, aangezien het is gebaseerd op het hiervoor bestreden oordeel van het Hof dat Euronext Amsterdam niet aansprakelijk zou zijn jegens [eiser] c.s. Nu bovenstaande klacht niet slaagt, slaagt ook deze klacht niet.