Conclusie
eerste middelbehelst de klacht dat het Hof de bewijsmiddelen niet heeft uitgewerkt zoals is bepaald in art. 365a, tweede lid, Sv.
tweede middelricht zich tegen de bewezenverklaring van het door de verdachte tegen het hoofd van het slachtoffer schoppen en stampen. Het middel valt in twee klachten uiteen. De eerste klacht houdt in dat dit onderdeel van de bewezenverklaring niet volgt uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen. De tweede klacht houdt in dat het Hof, door dit onderdeel bewezen te verklaren, ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd, voorbij is gegaan aan een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, te weten dat de getuige vanaf waar hij stond niet heeft kunnen zien dat de verdachte het slachtoffer op het hoofd heeft geschopt en gestampt.
derde middelbetreft de afwijzing door het Hof van het ter terechtzitting van 22 juni 2012 gedane verzoek om de getuige [betrokkene 4] te horen. Het Hof zou ten onrechte bij zijn motivering waarbij het verzoek is afgewezen niet de redenen hebben betrokken die de raadsman ten grondslag heeft gelegd aan zijn eerdere verzoeken – ter terechtzitting van het Hof van 30 augustus 2011 en 9 maart 2012 – om de getuige ter terechtzitting te horen.
Mocht de raadsman hebben bedoeld de getuige nog op andere punten te horen, dan is deze getuige bij de politie en de rechter-commissaris gehoord in het bijzijn van de verdediging en is door de raadsman niet aangegeven op welke punten hij deze getuige nog nader wenst te horen.’
vierde middelbehelst de klacht dat het Hof ten onrechte althans onvoldoende gemotiveerd is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt met betrekking tot het tijdstip van overlijden.
vijfde middel(dat in de schriftuur is aangeduid als middel IV) behelst de klacht dat Hof ten onrechte voorbij is gegaan aan de bevindingen van de deskundige F.R.W. van de Goot met betrekking tot het door hem uitgevoerde wonddateringsonderzoek. Op basis van dat onderzoek zou, kort gezegd, blijken dat het door de verdachte aan het slachtoffer toegebrachte letsel in een te ver verwijderd verband staat met het enkele dagen later overlijden van het slachtoffer.
Voorts heeft deze deskundige ter terechtzitting van 30 augustus 2011 verklaard dat het hoofd het langst warm blijft, waardoor het beeld vanuit het wonddateringsonderzoek minder betrouwbaar zal zijn dan het beeld van de hersenen. Verder is nog belangrijk welk deel van de wond is onderzocht. Vanuit het centrum breidt die wond zich namelijk later uit, waardoor de randen van de wond een jonger beeld geven dan het centrum. Het is dus belangrijk de bevindingen van het wonddateringsonderzoek in te passen in het geheel van omstandigheden van dit individuele geval. Omdat in de forensische setting geen achtergrondinformatie wordt verstrekt, "kan het gebeuren dat de resultaten van mijn (hof-Van de Goot) onderzoek in de gegeven casus niet geheel betrouwbaar zijn".’