ECLI:NL:PHR:2013:848

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2013
Publicatiedatum
1 oktober 2013
Zaaknummer
12/04586 E
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1.1 VuurwerkbesluitArt. 1.1.2 VuurwerkbesluitArt. 1.2.2 VuurwerkbesluitArt. 2.1.3 VuurwerkbesluitArt. 9.2.2.1 Wet milieubeheer
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt kwalificatie consumentenvuurwerk en verwerpt cassatie in vuurwerkzaak

De zaak betreft een cassatieberoep tegen het arrest van het Gerechtshof Arnhem waarin verdachte werd veroordeeld voor het op 6 december 2008 in Halle voorhanden hebben van consumentenvuurwerk dat niet voldeed aan de eisen van het toen geldende Vuurwerkbesluit en de Wet milieubeheer.

Het hof had vastgesteld dat het vuurwerk bestemd was voor een medeverdachte die als particulier in de zin van het Vuurwerkbesluit moest worden aangemerkt, ondanks dat deze geen vergunning had voor opslag of ontbranding. De Hoge Raad bevestigt dat het vuurwerk als consumentenvuurwerk moet worden aangemerkt op grond van de feitelijke bestemming en de uitleg van het Vuurwerkbesluit, ook al was het niet aan de particulier geleverd maar bestemd voor levering.

De verdediging voerde aan dat het vuurwerk professioneel was en dat de levering in Duitsland zou plaatsvinden, maar deze argumenten werden door het hof en de Hoge Raad verworpen. Het hof oordeelde dat de lading al bestemd was voor particulier gebruik en dat het voorhanden hebben van vuurwerk met twee lonten verboden was. De Hoge Raad acht het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk en voldoende gemotiveerd en verwerpt het cassatieberoep.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof bevestigd.

Conclusie

Nr. 12/04586 E
Mr. Machielse
Zitting 28 mei 2013
Conclusie inzake:
[verdachte] [1]
1. Het Gerechtshof Arnhem heeft verdachte op 7 februari 2012 voor 1. primair: Overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, meermalen gepleegd, en 2 subsidiair: Poging tot overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wet milieubeheer, opzettelijk begaan door een rechtspersoon, veroordeeld tot een geldboete van € 25.000,-.
2. Mr. B.J. Sanders, advocaat te Zutphen, heeft cassatie ingesteld. Mr. C. Waling, advocaat te 's-Gravenhage, heeft schrifturen ingezonden houdende vier middelen van cassatie. [2] Bij brief van 28 december 2012 heeft mr. Waling het eerste middel ingetrokken.
3. Het gerechtshof heeft bewezen verklaard dat:
"
Feit 1 primair
Zij op 6 december 2008, te Halle, gemeente Bronckhorst, opzettelijk consumentenvuurwerk, te weten
A. 10 flowerbeds LDD 205,
B. 8 flowerbeds LDA A1,
C. 4 flowerbeds LDD 123,
D. 3 flowerbeds LDC 215-100,
E. 4 flowerbeds LDC 240-150,
F. 5 flowerbeds952042,
G. 10 flowerbeds 952043,
H. 8 flowerbeds LDC179-100,
I. 8 flowerbeds LDC185-100,
J. 8 flowerbeds LDC174-100,
K. 2 flowerbeds LDC281-49,
L. 8 flowerbeds LDA009,
M. 2 flowerbeds LDC295-1000,
N. 2 flowerbeds LDC302-100,
O. 20 flowerbeds flowerbeds LDC121-25,
P. 20 flowerbeds LDC119-25, [3]
R. 20 flowerbeds LDC248-25,
S. 106 flowerbeds LDC137-25, LDC 249-25,LDC136-25 ,LDC117-25,LDC115-25 en/of LDC166-50,
T. 1 flowerbed Springwind,
U. 14 flowerbeds Springwind, en/of
V. 1 flowerbeds LDC245-52, poison spider,
voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of de ter uitwerking van voornoemd besluit krachtens artikel 9.2.2.1 van de Wetmilieubeheer gestelde regels, immers
- waren de onder A, B, C, D, E, F, G,H ,I, J, K ,L ,M, N, O, P, R, S, T, U en/of V genoemde flowerbeds voorzien van 2 lonten;
Feit 2 subsidiair
zij op 6 december 2008, te Halle, gemeente Bronckhorst, ter uitvoering van haar voornemen en het misdrijf om opzettelijk, een hoeveelheid van in totaal ongeveer 4000 kg, althans een aantal kg consumentenvuurwerk (onder andere flowerbeds), ter beschikking te stellen aan een particulier, te weten [betrokkene 1], voornoemd vuurwerk heeft gebracht naar perceel [a-straat 1] alwaar [betrokkene 1] het vuurwerk in ontvangst zou nemen, terwijl de uitvoering van het misdrijf niet is voltooid."
4.1. De eerste twee middelen, na de intrekking van het eerste middel dus het tweede en derde middel, hebben betrekking op de veroordeling voor feit 1 primair. Het tweede middel klaagt over de verwerping door het hof van het standpunt van de verdediging dat er geen sprake was van consumentenvuurwerk. Dat standpunt was gebaseerd op een uitleg van het Vuurwerkbesluit.
4.2. In zijn arrest heeft het hof over het bewijs overwogen:

Overweging met betrekking tot het bewijs
Op 6 december 2008 hebben verbalisanten op het adres [a-straat 1] te Halle een vrachtwagen aangetroffen met daarin zeven pallets vuurwerk. Deze vrachtwagen stond op naam van [verdachte] . Het in de vrachtwagen aangetroffen vuurwerk is door verbalisanten in beslag genomen. Na inbeslagname is het vuurwerk onderzocht. Aan de hand van de uiterlijke kenmerken is door verbalisanten vastgesteld dat de in de
tenlastelegging genoemde flowerbeds waren voorzien van twee lonten.
De raadsman van verdachte heeft aangevoerd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het voorhanden hebben van de onder F en G genoemde flowerbeds, nu deze zich niet in de vrachtwagen bevonden.
Het hof verwerpt dit verweer. De stelling van de raadsman berust op een verkeerde lezing van het dossier (dossierpaginanummers 263 en 264).
Het hof merkt voorts op dat voor zover is tenlastegelegd dat (een deel van) de flowerbeds (voorts) voor wat betreft het gewicht en/of de lont niet voldeden aan de daarvoor gestelde eisen, niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen, nu het dossier daarvoor - ook gelet op het aanvullend proces-verbaal van politie, dat door de verdediging is weersproken - onvoldoende aanknopingspunten biedt.
Consumentenvuurwerk
De raadsman van verdachte heeft ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde in hoger beroep aangevoerd dat (hooguit) vastgesteld kan worden dat een deel van het in de vrachtwagen aangetroffen vuurwerk in Duitsland aan [betrokkene 1] ter beschikking gesteld zou worden en het voor verdachte niet duidelijk was wat [betrokkene 1] vervolgens met het vuurwerk zou gaan doen, zodat de bestemming van het vuurwerk in de vrachtwagen niet kan worden vastgesteld. Derhalve dient het vuurwerk te worden aangemerkt als professioneel vuurwerk in de zin van artikel 1.1.2, derde lid, van het Vuurwerkbesluit.
Het hof verwerpt dit verweer. In artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit wordt als consumentenvuurwerk gedefinieerd: 'vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik'. In artikel 1.1.2, eerste lid onder b en d, van het Vuurwerkbesluit staat vermeld dat vuurwerk in ieder geval wordt aangemerkt als vuurwerk dat bestemd is voor particulier gebruik wanneer 'het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of besteld door een particulier' dan wel 'het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen'.
Het uit de vrachtwagen inbeslaggenomen vuurwerk werd vervoerd op zeven pallets. Op grond van het telefoongesprek van 5 december 2008 om 16.43 uur concludeert het hof dat dit vuurwerk was bestemd voor medeverdachte [betrokkene 1]. Uit het telefoongesprek kan het hof ook niet anders afleiden dan dat [betrokkene 1] het vuurwerk in Halle in ontvangst zou nemen en een deel van dit vuurwerk dadelijk zou doorleveren. De lezing van de vertegenwoordiger van verdachte, dat het vuurwerk in Emmerich zou worden gelost en vervolgens voor een deel door [betrokkene 1] mee terug genomen zou worden, wordt door het hof gelet op de inhoud van het hiervoor genoemde telefoongesprek en de gegevens over de route en afstand niet aannemelijk geacht. Daaraan doet niet af dat een aantal andere personen verklaringen van dezelfde strekking heeft afgelegd als de vertegenwoordiger van verdachte.
[betrokkene 1] dient, gelet op het bepaalde in artikel 1.1.1, vierde lid, van het Vuurwerkbesluit als exploitant van zijn eenmanszaak [A] aangemerkt te worden als een particulier in de zin van voornoemd besluit. Volgens dit voorschrift wordt onder het begrip particulier, voor zover hier van belang, immers mede verstaan een exploitant van een bedrijf zonder rechtspersoonlijkheid of een rechtspersoon die niet in het bezit is van een vergunning voor opslag van vuurwerk of van een ontbrandingsvergunning. [betrokkene 1] was niet in het bezit van een zodanige vergunning.
Gelet op het vooroverwogene is het hof van oordeel dat is voldaan aan hetgeen is bepaald in artikel 1.1.2, eerste lid, onder b en d, van het Vuurwerkbesluit. Het aangetroffen vuurwerk dient te worden beschouwd als vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik. Het hof is derhalve van oordeel dat het bij verdachte aangetroffen vuurwerk dient te worden aangemerkt als consumentenvuurwerk.”
4.3. Artikel 1.1.1 lid 1 van het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Stb. 2002, 33) omschreef op de tenlastegelegde datum consumentenvuurwerk als "vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik". Het vierde lid van dat artikel had de volgende inhoud:
“Voor de toepassing van de artikelen 1.1.2, eerste lid, onder a tot en met c , 2.1.3, derde lid , 2.3.2 , 2.3.3 , 2.3.4 wordt onder het begrip particulier mede verstaan een exploitant van een bedrijf zonder rechtspersoonlijkheid of een rechtspersoon die:
a. geen inrichting drijft als bedoeld in de artikelen 1.1.4 , 2.2.1 , 2.2.2 of 3.2.1 ;
b. geen houder is van een vergunning als bedoeld in artikel 3.3.2, eerste lid ;
c. in het buitenland is gevestigd en wiens bedrijfsmatige activiteit niet bestaat uit het verhandelen van of het tot ontbranding brengen van vuurwerk.”
Artikel 1.1.2 Vuurwerkbesluit luidde aldus:
“1. Vuurwerk wordt in ieder geval aangemerkt als vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik in de zin van artikel 1.1.1, eerste lid, indien:
a. het tot ontbranding wordt gebracht door een particulier,
b. het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan, gekocht of besteld door een particulier,
c. het aangetroffen wordt bij een particulier,
d. het binnen het grondgebied van Nederland wordt gebracht of voorhanden wordt gehouden met het oogmerk het aan particulieren ter beschikking te stellen, of
e. het is voorzien van de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik.
2. Ten aanzien van vuurwerk als bedoeld in artikel 3.1.4 blijft het eerste lid, onder e, buiten toepassing.
3. Vuurwerk waarvan de bestemming niet kan worden vastgesteld, wordt aangemerkt als professioneel vuurwerk.”
In december 2008 verbood artikel 1.2.2 van het Vuurwerkbesluit in lid 1 onder a onder meer het voorhanden hebben of aan een ander ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk dat niet voldoet aan de eisen. De tenlastelegging van feit 1 subsidiair is geënt op dit artikel 1.2.2 lid 1, aanhef en onder a. Artikel 2.3.2, eerste lid, Vuurwerkbesluit verbood het om consumentenvuurwerk ter beschikking te stellen aan een particulier. [4] Het tweede lid formuleerde een uitzondering voor enkele dagen voorafgaande aan de jaarwisseling. Artikel 2.3.3 verbood het om per levering meer dan 10 kilo consumentenvuurwerk aan een particulier ter beschikking te stellen. Artikel 2.3.4 verbood het om consumentenvuurwerk aan een particulier bedrijfsmatig ter beschikking te stellen op een andere plaats dan een verkoopruimte die voldoet aan de eisen.
4.4. In hoger beroep heeft de advocaat van verdachte bepleit dat het zou gaan om professioneel vuurwerk en niet om vuurwerk voor particulier gebruik, omdat verdachte niet het plan had om vuurwerk in Nederland ter beschikking te stellen aan [betrokkene 1] maar om dat in Duitsland te doen en omdat bovendien niet duidelijk was wat [betrokkene 1] zelf met het vuurwerk zou doen.
4.5. De steller van het middel wijst er terecht op dat de uitbreiding van het begrip ´particulier´ in het vierde lid van artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit beperkt is tot de onderdelen a tot en met c van artikel 1.1.2 lid 1 Vuurwerkbesluit. Op artikel 1.1.2 onder d van het Vuurwerkbesluit is deze uitbreiding niet van toepassing. Voorts is ten aanzien van verdachte bewezen verklaard dat zij consumentenvuurwerk voorhanden heeft gehad en niet dat zij het te koop heeft aangeboden, ter beschikking heeft gesteld aan of verkocht aan een particulier, welke handelingen wel door artikel 1.1.2 lid 1 onder b Vuurwerkbesluit zijn genoemd.
4.6. Het vierde lid is aan artikel 1.1.1 Vuurwerkbesluit toegevoegd bij Besluit van 16 januari 2004, Stb. 2004, 26. De toelichting wijdt geen enkel woord aan deze wijziging hetgeen toch minst gesproken opmerkelijk mag worden genoemd. Het blijft daarom duister wat de besluitgever ertoe heeft bewogen de werking van het vierde lid van artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit niet te doen uitstrekken tot onderdeel d van artikel 1.1.2 lid 1 Vuurwerkbesluit.
4.7. Ingevolge het bepaalde in artikel 1.1.2 lid 1 onder b van het Vuurwerkbesluit is vuurwerk in ieder geval bestemd voor particulier gebruik als het te koop wordt aangeboden of ter beschikking wordt gesteld aan een particulier, en als het wordt gekocht of besteld door een particulier. De toelichting op het Vuurwerkbesluit benadrukt dat consumentenvuurwerk wordt gedefinieerd als vuurwerk dat bestemd is voor particulier gebruik. De woorden "bestemd voor" dienen ruim te worden uitgelegd. De feitelijke bestemming is beslissend. Professioneel vuurwerk kan door een wijziging van bestemming consumentenvuurwerk worden. [5]
Het in het Vuurwerkbesluit gehanteerde onderscheid tussen consumentenvuurwerk en professioneel vuurwerk, hangt af van de bestemming die degene die het betrokken vuurwerk onder zich heeft daaraan heeft gegeven. Die bestemming is af te leiden uit de feiten en omstandigheden waaronder het vuurwerk wordt aangetroffen. De opsomming in het eerste lid van artikel 1.1.2 Vuurwerkbesluit is niet limitatief. [6]
De voorschriften betrekking hebbend op consumentenvuurwerk hebben de strekking ongelukken met vuurwerk zoveel mogelijk te voorkomen en schade en letsel die daaruit voort kunnen komen te beperken. Daarom moet ook op doeltreffende en doelmatige wijze tegen de illegale vuurwerkhandel opgetreden kunnen worden. Vandaar bijvoorbeeld ook de meldingsplicht voorafgaand aan in- en uitvoer van vuurwerk. [7] Deze meldingsplicht komt erop neer dat degene die vuurwerk binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengt dit ten minste twee werkdagen van tevoren schriftelijk meldt bij de minister (artikel 1.3.2 Vuurwerkbesluit).
4.8. De redenering die het hof heeft gevolgd beslaat de volgende stappen:
- het in Halle aangetroffen vuurwerk was bestemd voor [betrokkene 1],
- het zou ter beschikking worden gesteld aan deze [betrokkene 1],
- daardoor valt het vuurwerk onder de regels voor het consumentenvuurwerk,
- het aangetroffen vuurwerk voldeed niet aan de in deze regels gestelde eisen en
- daarom heeft verdachte consumentenvuurwerk dat niet aan de eisen voldeed voorhanden gehad.
4.9. Dat vuurwerk dat wordt aangeboden aan een particulier nog niet aan die particulier behoeft te zijn geleverd, leid ik af aan hetgeen in artikel 1.1.2, lid 1 aanhef en onder b, Vuurwerkbesluit is opgenomen. Immers ook vuurwerk dat te koop wordt aangeboden aan een particulier is al consumentenvuurwerk, terwijl zo een aanbod niet eens hoeft te zijn aanvaard, laat staan dat er al een levering van het vuurwerk moet hebben plaatsgevonden. Ook als de particulier het vuurwerk enkel heeft besteld, is dat vuurwerk al bestemd voor particulier gebruik. Vuurwerk kan dus al bestemd zijn voor particulier gebruik als het nog niet feitelijk in handen is gesteld van de particulier.
Ook als het waar zou zijn dat pas in Emmerich vuurwerk aan [betrokkene 1] zou worden overgedragen, neemt dat niet weg dat reeds op het moment dat dit vuurwerk in Halle is aangetroffen het al voor [betrokkene 1] bestemd was en dus consumentenvuurwerk was.
4.10. Ik moet toegeven dat de verhouding tussen lid 1 onder b en lid 1 onder d van artikel 1.1.2 Vuurwerkbesluit moeilijk te doorgronden is. Ik acht het niet uitgesloten dat het verschil tussen beide onderdelen van dit artikel erin moet worden gezocht dat onderdeel b ziet op vuurwerk dat te koop wordt aangeboden et cetera aan een aan te wijzen particulier, waaronder dus de eenmanszaak, en dat onderdeel d het oog heeft op vuurwerk dat bestemd is voor de particuliere markt zonder dat al een klant is geïndividualiseerd. Op het moment dat het voorhanden vuurwerk wordt besteld door een particulier, bijvoorbeeld de eenmanszaak, verhuist dat vuurwerk van onderdeel d naar onderdeel b. Zoals gezegd kan ik mij voor deze uitleg echter niet beroepen op een aanwijzing van de besluitgever. Maar gelet op de bedoeling van de besluitgever om de bestemming van het vuurwerk doorslaggevend te laten zijn voor de kwalificatie van het vuurwerk, op de feitelijke invulling van die bestemming, op het niet-limitatief karakter van de opsomming in artikel 1.1.2, lid 1, Vuurwerkbesluit en op de strekking van de regels in het Vuurwerkbesluit, te weten om de gevaren die aan het omgaan met vuurwerk zijn verbonden zoveel mogelijk te beperken, lijkt het mij in strijd te zijn met de wens van de besluitgever om op enigerlei wijze aan artikel 1.1.2, lid 1, onder d, Vuurwerkbesluit een uitleg te geven die ertoe zou leiden dat in wezen de verruiming van het begrip 'particulier' door artikel 1.1.1, lid 4, Vuurwerkbesluit voor de reikwijdte van artikel 1.1.2, lid 1 onder b van dat besluit ongedaan zou worden gemaakt. En dat zou het geval zijn als het voorhanden hebben van vuurwerk, bestemd voor levering aan een eenmansbedrijf zonder de vereiste vergunningen en certificaten of zelfs al besteld door dat bedrijf, niet meer zou worden bestreken door artikel 1.2.2, lid 1 onder a van het Vuurwerkbesluit.
4.11. De steller van het middel gaat uit van de misvatting dat de uitbreiding die het vierde lid van artikel 1.1.1 van het Vuurwerkbesluit geeft aan het begrip 'particulier' ook gevolgen heeft voor het toepassingsbereik van artikel 1.2.2, lid 1 onder a van dat besluit. Dat woord 'particulier' komt niet voor in deze bepaling. Wel is in dat artikel sprake van consumentenvuurwerk, welk begrip zijn uitleg vindt onder meer in artikel 1.1.2, eerste lid van het Vuurwerkbesluit.
Het hof heeft niet blijk gegeven van een onjuiste uitleg van het relevante onderdeel van het Vuurwerkbesluit. De verwijzing door het hof in de overweging naar artikel 1.1.2, eerste lid, onder d van het Vuurwerkbesluit is weliswaar teveel van het goede, maar ondermijnt niet de juiste uitleg die het hof heeft gegeven over de inhoud van artikel 1.1.2, eerste lid, onder b van het Vuurwerkbesluit.
Het middel faalt.
5.1. Het derde middel keert zich tegen de verwerping door het hof van het standpunt dat het vuurwerk naar Emmerich zou worden gebracht en daar deels door [betrokkene 1] zou worden overgenomen. Ook daarom zou het vuurwerk niet als consumentenvuurwerk mogen worden aangemerkt. Voorts is niet duidelijk welk deel van de lading in Duitsland door [betrokkene 1] zou worden overgenomen en of het vuurwerk dat voor [betrokkene 1] was bedoeld wel in de tenlastelegging is vermeld. Omdat slechts een beperkt deel van de lading voor [betrokkene 1] was bestemd, is de straf te hoog.
5.2. Ook al zou het vuurwerk naar Emmerich worden gebracht en eerst daar door [betrokkene 1] worden overgenomen, dan doet dit niet af aan het feit dat het aangetroffen vuurwerk al als consumentenvuurwerk is aan te merken. Ik verwijs in dit verband naar mijn bespreking van het eerste middel.
5.3. Bewijsmiddel 2 bevat de verklaring van verbalisanten dat zich in de vrachtwagen die is aangetroffen op de [a-straat 1] te Halle zeven pallets met vuurwerk bevonden. Bewijsmiddel 3 vermeldt dat ruim 4000 kilo professioneel vuurwerk in de vrachtwagen aanwezig was. De verbalisant zal de aanduiding "professioneel vuurwerk" hebben gebezigd omdat hij heeft geconstateerd dat het vuurwerk niet voldeed aan de eisen die mogen worden gesteld aan vuurwerk dat bestemd is voor particulier gebruik. Bewijsmiddel 4 geeft een beschrijving van het in beslag genomen vuurwerk. Bewijsmiddel 5 bevat de weergave van een telefoongesprek dat [betrokkene 1] met een onbekende op 5 december 2009 laat in de middag heeft gevoerd:
“N : Ehm, morgenavond
H: Eh, is goed
N : Ga ik hier tussen 8 en half 9 weg
H: Is goed, eh, zelfde als andere jaren?
N : Ja
N : Moet dat ook op dezelfde plek?
H: Eh ja, want er was verder niks aan de knikker.
N : Dat gaat daar niet passen
H: Nee? Want er gaat een hoop weg hoor meteen
H: Meer als de helft gaat al weg, al het grote gaat weg
N : Het is alles bij elkaar, eh, 7 grote pallets
H: Ja, dan zet ik het wel in, want er gaan 30, 40 blokken meteen al weg”
Bewijsmiddel 8 geeft een verduidelijking met betrekking tot het telefoongesprek. Bewijsmiddel 8 is een verklaring van [betrokkene 1] met de volgende inhoud:
“Het gesprek van 5 december 2008 om 16.43 uur waarin ik gebeld word door het telefoonnummer welke in gebruik is bij [medeverdachte] gaat over de levering van vuurwerk. In dit gesprek staat de zinsnede 'moet dat ook op dezelfde plek'. Daarover kan ik zeggen dat dit de schuur bij [betrokkene 2] (het hof begrijpt telkens: [betrokkene 2]) is, in Halle. Met de zinsnede 'daar is verder niks mee aan de knikker' bedoel ik dat het vorig jaar daar ook goed is gegaan en dat er toen ook geen politie is geweest die de boel in beslag heeft genomen.
Ik zou gezegd hebben dat er meteen een hoop weg zou gaan. Ik bedoelde daarmee dat ik [betrokkene 3] die avond een stuk of 20 flowerbeds zou leveren. Ik zou [betrokkene 3] 20 blokken leveren en er zouden nog wat blokken blijven staan die ik later aan [betrokkene 3] zou leveren. De bedoeling van die avond (het hof begrijpt: van 6 december 2008) was dat we bij het schuurtje van [betrokkene 2] mijn vuurwerk uit zouden laden.”
Bewijsmiddel 9 en 10 zijn verklaringen van [medeverdachte] met de volgende inhoud:
“Ik ben eigenaar van [verdachte]. In de vrachtauto stonden zeven pallets met daarop ongeveer 220 dozen. [betrokkene 1] en ik hadden op 6 december 2008 afgesproken aan de [a-straat 1] in Halle.”
en:
“lk had zeven pallets vuurwerk in mijn vrachtwagen. De zeven pallets die in mijn vrachtwagen zijn aangetroffen waren in principe spullen die [betrokkene 1] graag wilde hebben. [betrokkene 1] zou in ieder geval 30 à 40 dozen van mij afnemen. De bestelling die ik in mijn vrachtwagen had, was een prognose voor de bestelling van [betrokkene 1].”
5.4. Uit de inhoud van deze bewijsmiddelen heeft het hof kunnen afleiden dat de zeven pallets bestemd waren voor een welbepaalde particulier, te weten [betrokkene 1]. Of er vuurwerk in Halle zou blijven dan wel dat het vuurwerk geheel of gedeeltelijk in Emmerich zou worden opgeslagen, doet er niet aan af dat het gaat om consumentenvuurwerk dat blijkens bewijsmiddel 4 voorzien was van twee lonten. En dat was verboden in artikel 5 lid 1 van Pro de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004. [8]
Het middel faalt.
6.1. Het vierde middel klaagt over de veroordeling voor feit 2 subsidiair. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake was van een begin van uitvoering en heeft dit standpunt onderbouwd.
6.2. In hoger beroep heeft de advocaat van verdachte erop gewezen dat het vuurwerk nog niet aan [betrokkene 1] ter beschikking was gesteld. Het vuurwerk bevond zich nog in de afgesloten laadruimte van de vrachtwagen. [betrokkene 1] had de lading nog niet eens gezien, laat staan dat hij er de beschikking over had. De vrachtwagen en de lading bevonden zich nog in de macht van [verdachte]. Het vuurwerk zou eerst in Emmerich aan [betrokkene 1] ter beschikking worden gesteld.
Het middel wijst op deze onderdelen van de pleitnota en voegt daaraan toe dat zich in de onderhavige zaak een andere situatie voordeed dan in HR 31 augustus 2004, NJ 2004, 592, LJN AP1187, omdat in die zaak leverancier en afnemer van het vuurwerk zich beiden bevonden in de loods met daarin de vrachtwagen van de leverancier, van welke vrachtwagen de laadklep al geopend was terwijl ook de afnemer zijn busje al achterwaarts die loods had ingereden. In de onderhavige zaak heeft de vertegenwoordiger van verdachte enkel gereden met een vrachtwagen met daarin vuurwerk naar een plaats van afspraak zonder dat ook maar enige verdere behandeling is verricht om die vrachtwagen te openen, te lossen enzovoorts.
6.3. Het hof is tot oordeel gekomen dat de lading vuurwerk in Halle door [betrokkene 1] in ontvangst zou worden genomen. Dat oordeel is gebaseerd op een uitleg van het afgeluisterd telefoongesprek en een verklaring van [betrokkene 1]. Dat het vuurwerk eerst naar Nederland is gevoerd om dan weer in Duitsland te worden ingevoerd en in Emmerich te worden geleverd, heeft het hof niet geloofwaardig geacht. Ik moet de steller van het middel toegeven dat de uiterlijke verschijningsvorm in de zaak waar de Hoge Raad zich op 31 augustus 2004 heeft gebogen wat duidelijker in de steigers stond dan in de onderhavige zaak. Maar er is in de rechtspraak een ander voorbeeld aan te wijzen dat een sterkere gelijkenis met de onderhavige zaak vertoont. Ik doel op HR 20 juni 1989, NJ 1990, 33. Verdachte zou heroïne leveren en heeft daartoe een afspraak gemaakt met de afnemer. Deze moest op een afgesproken tijd naar een afgesproken plaats komen om die heroïne in ontvangst te nemen. De verdachte is met die afnemer na diens aankomst in contact getreden, terwijl de te leveren heroïne zich in de onmiddellijke nabijheid bevond. Volgens de Hoge Raad heeft het hof deze gedraging kunnen aanmerken als naar uiterlijke verschijningsvorm gericht op voltooiing van het misdrijf. In het afgeluisterd telefoongesprek hebben verdachte en [betrokkene 1] een afspraak gemaakt om elkaar op een bepaalde plaats en op een bepaald tijdstip te ontmoeten. Die afspraak had betrekking op het leveren van vuurwerk aan [betrokkene 1]. Verdachte is met zijn vrachtwagen met daarin dat vuurwerk naar de afgesproken plaats gereden, waar hij [betrokkene 1] heeft ontmoet. De bewijsmiddelen 8, 9 en 10 bevatten de verklaringen van verdachte en [betrokkene 1] waaruit het hof heeft kunnen putten om steun te vinden voor zijn oordeel. Het oordeel van het hof geeft naar mijn mening geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd.
Het middel faalt.
7. De voorgestelde middelen falen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

Voetnoten

1.Deze zaak hangt samen met nr. 12/04362/E ([medeverdachte]) waarin ik ook vandaag concludeer.
2.Op 3 mei 2013 heeft mr. Waling een gecorrigeerd exemplaar van de schriftuur voor zover die betrekking heeft op de middelen III tot en met V doen toekomen.
3.Bij herstelarrest van 7 februari 2012 heeft het hof de bewezenverklaring gecorrigeerd in die zin dat in de bewezenverklaring het onderdeel Q alsnog is geschrapt.
4.Artikel 2.1.3 van het Vuurwerkbesluit geeft voorschriften over de gegevens die van consumentenvuurwerk moeten zijn af te lezen. In het kader van de onderhavige zaak is deze bepaling niet relevant.
5.Stb. 2002, 33, p. 54.
6.Stb. 2002, 33, p. 94.
7.Stb. 2002, 33, p. 55.
8.Regeling van 20 februari 2004, Stcrt. 2004, nr. 36, p. 14 e.v., zoals deze luidde na de Wijziging van 6 oktober 2006, Stcrt. 2006, nr. 202, p. 36. De Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 is op 17 juli 2010 door de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk ingetrokken; Stcrt. 2010, 11226. Bij Besluit van 9 december 2009, Stb. 2009, 605, is het Vuurwerkbesluit ingrijpend gewijzigd en aangepast aan Richtlijn 2007/23/EG betreffende het in de handel brengen van pyrotechnische artikelen. Deze wijziging heeft geleid tot een wezenlijke verandering van de omschrijving van 'consumentenvuurwerk'. Consumentenvuurwerk is sindsdien omschreven als vuurwerk dat is ingedeeld in categorie 1, 2 of 3 en dat bij of krachtens het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik. De schriftuur schenkt geen aandacht aan deze verandering van het Vuurwerkbesluit. Daarom volsta ik met de volgende opmerking. Artikel 2 van Pro de Regeling aanwijzing consumenten- en theatervuurwerk houdt in dat als consumentenvuurwerk wordt aangewezen vuurwerk dat behoort tot een in bijlage I of II genoemde categorie en dat bovendien aan de in dat artikel opgesomde eisen voldoet. Beide bijlagen sommen soorten vuurwerk op onder de Nederlandse en de Engelse naam maar flowerbeds worden niet genoemd als consumentenvuurwerk.