Conclusie
1.Procesverloop in feitelijke instantie en in cassatie
- een gedeelte ter grootte van 00.01.65 hectare (grondplannummer [001]) van het perceel kadastraal bekend gemeente Bergambacht, sectie [B], nummer [002], in totaal groot 01.17.40 hectare;
- een gedeelte ter grootte van 00.19.63 hectare (grondplannummer [003]) van het perceel kadastraal bekend gemeente Bergambacht, sectie [B], nummer [002], in totaal groot 01.17.40 hectare;
- het perceel kadastraal bekend gemeente Bergambacht, sectie [B], nummer [004], ter grootte van 00.00.23 hectare (grondplannummer [005]);
- een gedeelte ter grootte van 00.24.67 hectare (grondplannummer [006]) van het perceel kadastraal bekend gemeente Bergambacht, sectie [B], nummer [007], in totaal groot 00.34.23 hectare;
- een gedeelte ter grootte van 00.01.50 hectare (grondplannummer [008]) van het perceel kadastraal bekend gemeente Bergambacht, sectie [B], nummer [009], in totaal groot 00.01.51 hectare,
2.Inleiding en kernpunten van de bestreden beslissing
3.Bespreking van de cassatieklachten
eerste klachtmiskent de rechtbank dat de eerste grond voor weigering van de vergunning (in het besluit van het hoogheemraadschap van 7 november 2006) niet is dat vergunningen met het oog op komende dijkversterkingen worden geweigerd als gebouwd wordt binnen een zone van zeven meter. De
tweede klachtbouwt hierop voort en stelt dat verbouw- c.q. renovatieplannen op grond van de Nota vergunningenbeleid van geval tot geval worden beoordeeld en dat de vergunningverlening bij verduurzaming onder meer afhankelijk is van de situering en de verdere staat van onderhoud van het pand. Zonder nadere motivering is daarom onbegrijpelijk (aldus de klacht) dat het beleid van het hoogheemraadschap om vergunningen te weigeren als gebouwd wordt binnen een zone van zeven meter, zou berusten op de Nota vergunningenbeleid.
derde klachtwijst op de onderbouwing die ten grondslag ligt aan het oordeel van de (bestuursrechter in) de rechtbank Rotterdam van 27 juni 2007. Deze overwoog, voor zover van belang: “Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat het bedrijfspand dusdanig is gesitueerd dat deze bij de komende dijkversterking niet zal kunnen worden gehandhaafd, zodat verduurzaming indruist tegen het belang van de waterkering, althans een belemmering vormt bij de dijkversterking.” Gelet op deze overweging is, volgens de klacht, onbegrijpelijk het oordeel dat de vergunning niet zou zijn verkregen ongeacht of bij het besluit van 7 november 2006 al een keuze was gemaakt voor een bepaalde methode van dijkversterking. Voorts is volgens de klacht onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd, het oordeel in rov. 2.10 dat niet aannemelijk is dat de vergunning zou zijn verleend indien het concrete dijkversterkingsplan wordt weggedacht, gezien het bestendige beleid ten aanzien van de bouwvrije zone. Hieraan doet volgens het middel niet af de verwijzing naar rov. 2.5.1 en 2.5.2 van beslissing van de Afdeling bestuursrechtspraak van 16 april 2008.