Conclusie
1.Voorgeschiedenis
2.Beoordeling van de cassatieklachten
( [1] )
( [2] )De rechtbank heeft nl. miskend dat artikel 287 lid 2 Fw Pro voorziet in een termijn van één maand om ontbrekende informatie alsnog te verschaffen. Het hof onderzoekt het punt van de ontvankelijkheid van het verzoek in het licht van die klacht in rov. 3.7 van zijn bestreden arrest en neemt daarbij de stand van zaken ten tijde van de mondelinge behandeling op 7 mei 2013 in aanmerking. Toen was, zo stelt het hof – in cassatie niet bestreden – vast, de termijn van één maand, die de rechtbank volgens verzoeker tot cassatie had moeten aanhouden, op één dag na verstreken en was nog steeds niet voldaan aan de vereisten waaraan een verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling moet voldoen. Daaraan voegt het hof nog toe dat van de kant van verzoeker tot cassatie niet gemotiveerd is aangegeven, waarom nog steeds niet aan het bepaalde in artikel 285 Fw Pro was voldaan, hoewel inmiddels de maand, die de rechtbank volgens verzoeker tot cassatie had moeten aanhouden, op één dag na was verstreken. Deze toevoeging is niet onbegrijpelijk; van die motivering blijkt noch uit het beroepschrift noch uit het proces-verbaal van de terechtzitting bij het hof.
( [3] )
( [4] ), maar ook heeft die weg het hof ervan kunnen doen afzien om nader op de oordeelsvorming van de rechtbank in te gaan. Het vereiste belang ontbrak daarvoor.