ECLI:NL:PHR:2013:761
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt veroordeling voor opzettelijke overtreding Wet milieubeheer ondanks betwisting afvalstofbegrip en opsporingsbevoegdheid
De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor het opzettelijk overtreden van artikel 10.60 Wet milieubeheer door onvergunde opslag van afvalstoffen. Het hof had geoordeeld dat het materiaal dat verdachte overbracht en opsloeg, non-ferrometalen, als afvalstof moest worden gekwalificeerd en dat het opzet van verdachte zich richtte op de gedraging, niet op de wederrechtelijkheid daarvan.
De verdediging voerde onder meer aan dat er geen verdenking was die opsporingshandelingen rechtvaardigde, dat het materiaal geen afvalstof was maar een waardevol product, en dat verdachte niet wist dat de opslaglocaties niet over de vereiste vergunningen beschikten. De Hoge Raad verwierp deze middelen, bevestigde dat opsporingsonderzoek ook kan plaatsvinden zonder concreet vermoeden van schuld, en dat het begrip afvalstof ruim moet worden uitgelegd conform Europese richtlijnen en jurisprudentie.
Verder oordeelde de Hoge Raad dat het opzet in het economisch strafrecht kleurloos is, zodat het niet vereist is dat verdachte wist dat de opslaglocaties onvergund waren. De Hoge Raad wees ook het betoog af dat de milieuregelgeving niet duidelijk zou zijn en dat dit tot verontschuldigbare rechtsdwaling zou leiden. Ten slotte constateerde de Hoge Raad dat de redelijke termijn in cassatie was overschreden en besloot ambtshalve de straf te verminderen en het cassatieberoep te verwerpen.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor opzettelijke overtreding van artikel 10.60 Wet milieubeheer en vermindert ambtshalve de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn.