ECLI:NL:PHR:2013:75

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juni 2013
Publicatiedatum
18 juli 2013
Zaaknummer
11/05186 B
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 575 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring cassatieberoep wegens niet-naleving consignatieplicht

In deze zaak heeft de Hoge Raad beoordeeld of de veroordeelde ontvankelijk is in haar cassatieberoep tegen een eerdere veroordeling. Volgens artikel 575 lid 3 van Pro het Wetboek van Strafvordering is een veroordeelde in cassatie slechts ontvankelijk indien vooraf het nog verschuldigde bedrag en alle griffiekosten zijn voldaan door consignatie.

De Hoge Raad heeft bij tussenbeschikking van 9 oktober 2012 de veroordeelde in de gelegenheid gesteld alsnog binnen een termijn van 14 dagen na schriftelijke aanmaning van de griffie van de Rechtbank Utrecht het bedrag te consigneren. Uit de processtukken blijkt dat de veroordeelde niet heeft voldaan aan deze verplichting, ondanks meerdere aanmaningen op 6 maart 2013 en 22 april 2013.

De griffie van de Hoge Raad ontving geen betaling binnen de gestelde termijnen. Hierdoor is de veroordeelde niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot deze niet-ontvankelijkverklaring, waarmee het cassatieberoep wordt afgewezen.

Uitkomst: De veroordeelde is niet-ontvankelijk verklaard in haar cassatieberoep wegens niet-naleving van de consignatieplicht.

Conclusie

Nr. 11/05186B
Zitting: 4 juni 2013
Mr. Vellinga
Aanvullende conclusie inzake:
[veroordeelde]
1. Bij tussenbeschikking van 9 oktober 2012 heeft de Hoge Raad bepaald dat de veroordeelde alsnog in de gelegenheid dient te worden gesteld om aan haar verplichting tot consignatie te voldoen.
2. Uit de op de griffie van de Hoge Raad binnengekomen stukken blijkt het volgende. Een griffiemedewerkster van de Rechtbank Midden-Nederland heeft de veroordeelde bij brief van 6 maart 2013, gericht aan het GBA-adres van de veroordeelde, in de gelegenheid gesteld om binnen twee weken het nog verschuldigde bedrag en al de kosten bij wijze van consignatie te voldoen. Op 15 april 2013 is bij de Hoge Raad een brief van de griffie van de Rechtbank Midden-Nederland ingekomen, gedateerd 11 april 2013. Deze brief houdt in dat de betaling van de veroordeelde niet binnen de gestelde termijn is ontvangen. Vervolgens is de veroordeelde bij brief van 22 april 2013, gericht aan het in de schriftuur genoemde adres van de veroordeelde, nogmaals in de gelegenheid gesteld het verschuldigde bedrag te voldoen. Blijkens de op 28 mei 2013 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen brief is de betaling wederom niet ontvangen. Nu de veroordeelde niet aan de in art. 575 lid 3 Sv Pro neergelegde verplichting heeft voldaan dient zij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep.
3. Deze conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de veroordeelde in haar cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG