ECLI:NL:PHR:2013:748

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 juni 2013
Publicatiedatum
9 september 2013
Zaaknummer
11/03819
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 107 Wegenverkeerswet 1994Art. 435 SvArt. 437 SvArt. VI Procesreglement Strafkamer Hoge Raad
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens ontbreken origineel en ontbreken cassatiemiddel

Het Gerechtshof te Arnhem heeft verdachte veroordeeld tot twee weken hechtenis wegens overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Tegen dit vonnis is cassatieberoep ingesteld. Namens verdachte is per fax een schriftuur ingediend, maar het originele exemplaar is niet ontvangen door de Hoge Raad.

De Hoge Raad oordeelt dat het ontbreken van het originele exemplaar van de schriftuur een schending is van artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, waardoor verdachte niet in cassatie kan worden ontvangen. Hoewel de betekening van de aanzeggingsbrief aanvankelijk niet op het juiste adres plaatsvond, is dit verzuim gesanctioneerd omdat de brief uiteindelijk de verdachte heeft bereikt en er geen klachten zijn over de betekening.

Daarnaast is het ingediende cassatiemiddel te algemeen en vaag geformuleerd, waardoor het niet voldoet aan de wettelijke eisen voor een cassatiemiddel. De klacht vermeldt niet op welk punt het hof het recht zou hebben geschonden of een vormverzuim heeft begaan, en het dossier bevat geen aanwijzingen voor een dergelijke schending.

Daarom verklaart de Hoge Raad verdachte niet-ontvankelijk in zijn cassatieberoep.

Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in zijn cassatieberoep wegens ontbreken van het originele cassatieschrift en het ontbreken van een geldig cassatiemiddel.

Conclusie

Nr. 11/03819
Zitting: 4 juni 2013
Mr. Knigge
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft bij arrest van 20 mei 2011 verdachte wegens “overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994” veroordeeld tot een hechtenis voor de duur van twee weken.
2. Tegen deze uitspraak is namens verdachte cassatieberoep ingesteld.
3. Namens verdachte heeft mr. B.J. Driessen, advocaat te Nijmegen, per fax een schriftuur houdende een middel ingediend. Een origineel exemplaar van de schriftuur is bij de Hoge Raad niet binnengekomen.
4.
Ontvankelijkheid van het beroep
4.1. In de onderhavige zaak is op 21 september 2011 een brief met de in art. 435 lid 1 Sv Pro bedoelde aanzegging uitgereikt aan de griffier van de Rechtbank te ’s-Gravenhage en is tevens een afschrift van deze brief per gewone post naar het GBA-adres van de verdachte verstuurd. Bij de betekening en verzending van de aanzeggingsbrief is niet het juiste adres van de verdachte gehanteerd, aangezien de cassatieakte van 18 juli 2011 met zoveel woorden vermeldt dat de verdachte gerechtelijke post niet op zijn GBA-adres maar op een ander adres wenst te ontvangen. Omdat uit een zich in het dossier bevindende brief van de raadsman van de verdachte van 3 november 2011 kan worden opgemaakt dat de aanzeggingsbrief de verdachte wel – zij het wellicht pas enige tijd na 21 september 2011 – heeft bereikt en door of namens de verdachte over de betekening niet is geklaagd, terwijl de raadsman op diens verzoek uitstel is verleend voor het indienen van de schriftuur (zie hierna), meen ik dat dit betekeningsverzuim hier voor gesauveerd kan worden gehouden.
4.2. In de genoemde brief van 3 november 2011 heeft de raadsman een verzoek tot uitstel voor het indienen van middelen gedaan, naar aanleiding waarvan in overleg met de rolraadsheer een verlenging van de indieningstermijn tot 28 november 2011 is verleend. Op 28 november 2011 is bij de Hoge Raad per fax een (zeer summiere) cassatieschriftuur ingediend. Gelet op het vijfde lid van art. VI van het Procesreglement van de Strafkamer van de Hoge Raad dient een verzending van een schriftuur per fax te worden gevolgd door inlevering of verzending van een origineel exemplaar van de schriftuur. Nu een origineel exemplaar van de schriftuur niet bij de Hoge Raad is binnengekomen – ook niet na de verzending aan de raadsman van een brief waarin deze de gelegenheid wordt geboden binnen veertien dagen alsnog aan de verplichting tot verzending of inlevering van een originele schriftuur te voldoen –, kan de verdachte mijns inziens niet in zijn cassatieberoep worden ontvangen.
4.3. Ten overvloede merk ik op dat, wanneer de Hoge Raad wel een origineel exemplaar van de schriftuur had ontvangen, de verdachte evenmin in zijn cassatieberoep ontvangen had kunnen worden, nu het faxexemplaar van de schriftuur een klacht te lezen geeft die te algemeen en bovenal te vaag is geformuleerd om als cassatiemiddel in de zin der wet te kunnen worden geaccepteerd. [1] De klacht richt zich tegen de verstekbeslissing van het Hof op de terechtzitting in hoger beroep van 20 mei 2011, maar laat geheel in het midden op welk punt het Hof het recht zou hebben geschonden of vormen zou hebben verzuimd, terwijl de zich in het dossier bevindende stukken voor een dergelijke schending of een dergelijk verzuim op het eerste oog ook geen aanwijzingen bieden.
5. Deze conclusie strekt ertoe dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 2 maart 1999, LJN AB7950, NJ 1999/739.