Conclusie
4.Het eerste middel
5.Het tweede middel
Oplegging van straf en/of maatregel
Parket bij de Hoge Raad
Het Gerechtshof Arnhem veroordeelde verdachte tot achttien maanden gevangenisstraf wegens afpersing gepleegd in vereniging met anderen. Verdachte stelde cassatieberoep in en voerde drie middelen aan: onvoldoende motivering van bewezenverklaring, onrechtmatige strafoplegging door rekening te houden met een nog niet onherroepelijke veroordeling en overschrijding van de redelijke termijn in cassatie.
De Hoge Raad oordeelde dat het hof de bewezenverklaring voldoende heeft gemotiveerd, ook al was niet bewezen dat de medewerkster zelf het geld overhandigde; de bedreiging maakte haar medeplichtig aan de afgifte door een ander. Het hof mocht bij de strafoplegging rekening houden met een soortgelijk feit dat nog niet onherroepelijk was, omdat beide zaken samenhingen en het hof dit feit in cassatie later onherroepelijk werd. De redelijke termijn was in cassatie met twee weken overschreden, wat tot strafvermindering moest leiden.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep voor het merendeel, vernietigde slechts het deel van de strafoplegging en matigde de gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf. Het beroep werd voor het overige verworpen. De zaak hangt samen met een andere cassatieprocedure tegen dezelfde verdachte.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen, maar de straf wordt gematigd wegens overschrijding van de redelijke termijn.