5.1.2Andere strafbare feiten
De raadsman heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat er geen dan wel onvoldoende aanwijzingen bestaan dat [betrokkene] in de periode vanaf 1 december 1999 tot januari 2005 betrokken was bij andere strafbare feiten als bedoeld in artikel 36e lid 3 Sr.
De raadsman heeft hiertoe gewezen op de Aanwijzing ontneming (2005A002) waarin wordt aangegeven dat het zonder concrete aanwijzingen aannemen dat onverklaarbaar vermogen uit een niet bewezen verklaarde periode wederrechtelijk verkregen is, niet afdoende is.
De enige aanwijzing, en dan nog alleen voor wat betreft de periode begin 2001 tot en met begin 2004, wordt gevormd door het proces-verbaal inhoudende informatie van de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE). Mede gezien het feit dat dergelijke informatie van de CIE uitdrukkelijk niet bedoeld is om te dienen als bewijsmiddel in een strafzaak, dient de periode vanaf 1 december 1999 tot januari 2005, buiten de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel te worden gelaten, althans kan alleen de periode waarop de CIE informatie uitdrukkelijk ziet, begin 2001 tot en met begin 2004, in de berekening worden betrokken, aldus de raadsman.
Voor het geval de rechtbank overweegt de CIE informatie bij de beoordeling te betrekken, heeft de raadsman verzocht de CIE runners te horen, nu de aan de runners verstrekte informatie door [betrokkene] wordt betwist.
De officier van justitie heeft als reactie op het verweer van de raadsman betoogd dat de aanwijzingen die betrekking hebben op de periode januari 2005 tot en met 25 april 2005 - bestaande uit processen-verbaal met CIE-informatie, een melding misdaad anoniem, een notitie aangetroffen in de woning van [betrokkene] waarop onder meer staat vermeld "nog in stash" en "nog over [betrokkene]", versluierde telefoongesprekken en de grote hoeveelheid aangetroffen geld - gevoegd bij het door de raadsman genoemde proces-verbaal met CIE informatie - dat volgens jurisprudentie van de Hoge Raad in een ontnemingszaak wel als bewijs kan dienen - kunnen dienen als schakelbewijs voor wat betreft de gehele onderzochte periode.
De officier van justitie verzet zich, gezien het door hem ingenomen standpunt, tegen het horen van de CIE runner nu dit hem niet noodzakelijk lijkt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Uit het hiervoor genoemde arrest van het gerechtshof blijkt dat als pleegperiode bewezen is verklaard op en omstreeks 25 april 2005.
In de Aanwijzing ontneming (2005A002) wordt onder meer het volgende bepaald.
Voor zover de periode van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel volgens artikel 36e lid 3 Sr niet overeenkomt met de periode van tenlastelegging en bewezenverklaring, dient in het ontnemingsrapport ruime aandacht te worden besteed aan aanwijzingen omtrent strafbare feiten in de periode die niet ten laste is gelegd c.q. bewezen is verklaard. Het zonder concrete aanwijzingen aannemen dat onverklaarbaar vermogen uit een niet tenlastegelegde/bewezenverklaarde periode wederrechtelijk is, is niet afdoende.
De rechtbank zal eerst beoordelen of er in het dossier aanwijzingen te vinden zijn voor betrokkenheid van [betrokkene] bij andere strafbare feiten dan het feit waarvoor hij veroordeeld is. De rechtbank oordeelt dat er dienaangaande aanwijzingen bestaan. De rechtbank zal de relevante aanwijzingen hieronder opsommen.
De rechtbank maakt onderscheid tussen de periode van 1 december 1999 tot begin 2001, de periode van begin 2001 tot en met begin 2004 en de periode van januari 2005 tot en met april 2005. De rechtbank begint met laatstgenoemde periode.
5.1.2.l Met betrekking tot de periode januari 2005 tot en met april 2005:
- Melding misdaad anoniem van 2 mei 2005:
"Het betreft een grootschalige cocaïnesmokkel tussen Suriname en Nederland. [betrokkene], de opdrachtgever, laat voornamelijk Surinaamse meerderjarige meisjes als drugskoerier voor zich werken. De drugs worden door voornoemde bolletjesslikkers voornamelijk per KLM-vlucht van Paramaribo naar Amsterdam vervoerd."
- CIE-informatie van 04 mei 2005:
"[betrokkene] werkt bij de KLM Cargo en haalt met regelmaat, van enkele koffers per week, partijen verdovende middelen die met vliegtuigen op de luchthaven van Schiphol aankomen en in transito moeten blijven, binnen. [betrokkene] doet dit niet voor zichzelf en ontvangt als commissie twintig procent van de partijen. De koffers zijn altijd van het merk Samsonite. [betrokkene] rijdt met een KLM busje en brengt de koffers buiten het luchthaventerrein. [betrokkene] heeft buiten zijn baan bij de KLM ook nog een koeriersbedrijf."
- CIE-informatie van 09 augustus 2005:
"[betrokkene] werkt samen met [betrokkene 1]. [betrokkene 1] heeft de info dat er een partij cocaïne binnenkomt op Schiphol en [betrokkene] trekt het eruit. [betrokkene 2] (fonetisch) hoort ook bij hen. [betrokkene 2] zit momenteel vast in verband met verdovende middelen."
- CIE-informatie van 06 december 2005:
"[betrokkene] en [betrokkene 1] hebben nauw samengewerkt en investeerden in elkaars partijen verdovende middelen, in het verleden hebben ze samen een jacht gekocht voor het vervoer van verdovende middelen. [betrokkene 1] bewaart ook een paar miljoen euro voor [betrokkene]."
In de woning van [betrokkene] is op 25 april 2005 een papiertje aangetroffen met onder meer de notities:
[betrokkene]
1.579 nog in stash
263.2 nog over [betrokkene]
In de woning van [betrokkene] is op 25 april 2005 een contant geldbedrag van in totaal € 102.678,- aangetroffen. Op dezelfde datum werd in het bedrijfspand van [betrokkene] een contant geldbedrag van in totaal € 953.780,- aangetroffen.
Tapgesprek d.d. 11.februari 2005, [betrokkene] (A) belt uit met [betrokkene 3] (C):
A: Ik loop zelf naar een telefooncel, ik bel nooit op die telefoon
A: Maar kijk, nu overleggen we door een telefoon en dat, dat wilde ik voorkomen.
Tapgesprek d.d. 26 februari 2005, [betrokkene] (A) belt uit met [betrokkene 3] (C):
A: Jij en ik kunnen zo niet praten [betrokkene 3], dat weet je. Jij en ik kunnen zo niet praten. [betrokkene] zal straks proberen te bellen, desnoods vanuit een telefooncel.
C: Dus het percentage... zoiets.
A: Goed. Ik bel je.
Tapgesprek d.d. 27 februari 2005, [betrokkene] (A) belt uit met [betrokkene 3] (C):
C: Heb je het ding waarover ik je vertelde begrepen?
A: Ja, maar kijk ...
A: Nee, kijk, ik wil, kijk we, kijk, ik wil je iets zeggen. Het is wel goed misschien maar zeg tegen de man dat de andere man moet komen.
C: Welke andere man?
A: Ik toch. Want het is lastig.
C: Ja, ja, ja, ja.
A: Want we kunnen niet...
C: Ek zal hem zeggen dat je persoonlijk met hem wilt praten als je er bent. Klaar.
A: Ja. En we kunnen niet, je moet hem zeggen dat wij niet door de telefoon kunnen praten, die dingen zijn gevaarlijk.
Tapgesprek d.d. 01 maart 2005, [betrokkene] (A) belt uit met onbekend persoon (N):
N: Van waaruit bel je?
A: Ik zal u zo vanuit de telefooncel bellen.
N: Is goed.
A: Ja?
Tapgesprek d.d. 17 maart 2005, [betrokkene] (A) belt uit met [betrokkene 4] (C):
A: Geen telefoon meer. Mensen praten veel, te veel, door de telefoon. Ik praat ook puur voor mezelf en mijn veiligheid. Ik heb voorbeelden gezien en als ik daar geen les uit trek leer ik het nooit. Mijn vrienden piepen me op als ze me willen bereiken. Het kan ook voor hen veilig zijn. Misschien ben ik wel een gevaar voor hen.
Tapgesprek d.d. 21 april 2005, [betrokkene] (A) belt uit met [betrokkene 5] (J):
J: Natuurlijk. Je moet volgens jouw schema werken. Je kan niet volgens het schema van andere mensen werken.
A: Ja toch. De, ik kan niet... kijk eh kijk.. nu eh misschien.. .misschien enkele dingen, zijn er enkele dingen dan loop ik geld mis, omdat ik daar dan ben.
A: Ik moet mijn dingen rustig doen want als ik mijn dingen overhaast doe zal ik.. kan ik worden opgepakt.
J: Ja, ja, ja.
A: Want jij weet ook.. want hij heeft hier en daar gebeld en dat is ook niet goed.
J: Het is ook niet goed, het is niet goed.
A: Nee toch, want dan, dan, wat, wat zullen de kerels... de kerels zelf kunnen denken van he, wat is dat voor conclaaf dat de mannen elke keer houden.
5.1.2.2 Met betrekking tot de periode begin 2001 tot en met begin 2004:
- CIE-informatie van 24 december 2004:
"[betrokkene] heeft zich in de periode van begin 2001 tot en met begin 2004 veelvuldig bezig gehouden met de invoer van cocaïne via de luchthaven Schiphol. [betrokkene] heeft hiermee veel geld verdiend."
5.1.2.3 Met betrekking tot de periode van 1 december 1999 tot begin 2001:
De rechtbank heeft met betrekking tot deze periode geen aanwijzingen in het dossier aangetroffen dat [betrokkene] zich met strafbare feiten heeft bezig gehouden.
Gezien vorenstaande aanwijzingen komt de rechtbank tot het volgende oordeel.
De rechtbank oordeelt dat voor wat betreft de periode januari 2005 tot en met 25 april 2005 voldoende aanwijzingen bestaan dat [betrokkene] zich met andere strafbare feiten heeft bezig gehouden dan het feit waarvoor hij veroordeeld is.
Met betrekking tot de periode van begin 2001 (de rechtbank oordeelt: januari 2001) tot en met begin 2004 oordeelt de rechtbank dat er ook voor deze periode te dier zake voldoende aanwijzingen bestaan. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Ofschoon er met betrekking tot deze periode alleen een proces-verbaal met CIE-informatie voorhanden is, oordeelt de rechtbank dat voldoende aannemelijk is geworden dat [betrokkene] zich ook in deze periode met bedoelde strafbare feiten heeft bezig gehouden. De rechtbank oordeelt dat het proces-verbaal met CIE-informatie in samenhang met de overige hiervoor genoemde aanwijzingen dient te worden beschouwd. De daarin opgenomen informatie is in lijn met de uit de overige aanwijzingen blijkende strafbare feiten. Daarnaast heeft de rechtbank hierbij in aanmerking genomen de omstandigheid dat het uitgavenpatroon, zoals blijkt uit het financieel onderzoeksrapport, in periode vanaf begin 2001 niet veel anders was dan de periode vanaf januari 2005, waarbij [betrokkene] aanzienlijk meer uitgaf dan door legale inkomsten kon worden vastgesteld.
Met name deze laatstgenoemde overweging maakt dat de rechtbank tevens van oordeel is dat voldoende aannemelijk is geworden dat verdachte ook in de tussenliggende periode van begin 2004 tot januari 2005 betrokken was bij bedoelde strafbare feiten. De rechtbank verwerpt dus het verweer van de raadsman.
Voor wat betreft de periode van 1 december 1999 tot 2001 is de rechtbank van oordeel dat, gezien het feit dat er geen andere aanwijzingen bestaan dat [betrokkene] in deze periode betrokken was bij strafbare feiten dan zijn niet door legale inkomsten gedekte uitgavenpatroon, deze periode bij de berekening van het wederrechtelijk voordeel buiten beschouwing dient te worden gelaten.
De rechtbank wijst het verzoek van de raadsman tot het horen van de CIE runner af. De rechtbank acht dit in het licht van het vorenoverwogene niet noodzakelijk.