Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
3.Het geding voor de Rechtbank en het Hof
4.Het geding in cassatie
5.Geruisloze overdracht
in de plaats treedt van de overdrager.(…)”
inbrengende of schenkende bedrijfniet te zwaar te belasten”.
verkrijgerfinancieel gemakkelijker te maken. In verschillende arresten overweegt het HvJ namelijk (cursivering MvH):
en te vermijden dat de financiële toestand van de verkrijger onder een buitensporige fiscale druk komt te staan, nu hij de belasting later hoe dan ook zou hebben gerecupereerd via een aftrek van de voorbelasting (…).” [5]
met inachtneming van door Onze Minister te stellen voorwaarden, ter zake van de leveringen en diensten welke die overdracht vormen geen belasting geheven.” [6]
tenzij bij ministeriële regeling anders is bepaald, degene op wie de goederen overgaan in de plaats van de overdrager.”
in de plaats tredenvan de overdrager, is daarin niet – evenmin als in de gepubliceerde stukken met betrekking tot de totstandkoming van de richtlijnen inzake btw – nader gepreciseerd wat onder deze indeplaatstreding moet worden verstaan. De jurisprudentie van het HvJ over de uitlegging van artikel 19 van Pro de btw-richtlijn strekt zich evenmin daartoe uit. In de wetsgeschiedenis en in de nationale jurisprudentie valt daarentegen omtrent de hier bedoelde indeplaatstreding wel het een en ander te vinden.
Kan de staatssecretaris nader uitleggen wat precies de gevolgen zijn van het in de plaats treden van? (…). Stel dat de gehele onderneming wordt overgedragen en dat naderhand naheffingsaanslagen voor de omzetbelasting worden opgelegd die betrekking hebben op de periode van voor de overdracht. Worden die aanslagen dan opgelegd aan de opvolger of aan de voorganger?”
met name van belang voor de zogenoemde herzieningsregels in de BTW.Roerende goederen worden vijf jaar, onroerende goederen tien jaar gevolgd wat de voorbelasting betreft. Als in die periode het gebruik van die goederen wijzigt - van belaste prestaties naar vrijgestelde of omgekeerd - wordt de aftrek van voorbelasting herzien.
Deze herzieningsperiode zal, evenals dat het geval is onder de huidige redactie van artikel 31, overgaan op degene op wie de goederen overgaan.”
periodevan een (on)roerende zaak die deel uitmaakt van de overgedragen onderneming bij de overnemer doorloopt. De overnemer heeft dus niet te maken met een nieuwe periode van herziening ter zake van de desbetreffende (on)roerende zaak. Dat lijkt mij overigens ook wel voor de hand te liggen, nu – sinds 24 juni 1998 ook wettelijk [14] – bij de overdracht van de algemeenheid van goederen, geen leveringen en diensten worden geacht plaats te vinden. Er is daardoor ook geen ‘breuklijn’ tussen de oude en de nieuwe exploitant van de onderneming: doordat geen leveringen worden geacht plaats te vinden, wordt immers ook niet toegekomen aan toepassing van het bepaalde in artikel 13a van de Uitvoeringsbeschikking (vergelijk artikel 188 van Pro de btw-richtlijn). Op grond van die bepaling wordt bij levering van een (on)roerende zaak gedurende de herzieningstermijn, die herzieningstermijn als het ware fictief ‘volgemaakt’ en afgerond bij de leverancier, waarna bij de verkrijger, uitgaande althans van een belaste levering, een nieuwe herzieningsperiode begint. Bij de overdracht van een algemeenheid van goederen wordt door het ontbreken van een levering daaraan niet toegekomen. Daaruit volgt reeds onafwendbaar dat de herzieningsperiode bij de overnemer doorloopt. [15] Met deze vaststelling is echter nog niet gegeven dat de overnemer zonder meer ook de herzienings-btw uit het jaar van de overdracht van de overdrager overneemt. [16] In onderdeel 6 kom ik hierop terug.
Voor de toepassing van deze bepaling moet een onderscheid worden gemaakt tussen de omzetbelasting die verschuldigd is geworden vóór en na de datum van de overgang van de algemeenheid van goederen. De belasting die
verschuldigd is geworden vóór de datum van overgang kan alleen worden nageheven van de overdrager; de belasting die verschuldigd is geworden na de datum van overgang kan alleen van de «opvolger» worden nageheven. Het Gerechtshof te Den Haag heeft dit standpunt bevestigd in de uitspraak van 12 maart 1980, nr. 68/1978, BNB 1981/204.”
dat bij de overdracht van de onderneming door de vennootschap onder firma ,,X”' aan belanghebbende art. 31 van Pro de Wet toepassing heeft gevonden, niet met zich brengt (…) dat op grond van het bepaalde in art. 8, tweede volzin, van de beschikking, zoals die bepaling voor het jaar 1975 luidde, de door de vennootschap onder firma te weinig betaalde belasting over tijdvakken, welke voor de datum van overdracht zijn gelegen, thans door belanghebbende zou zijn verschuldigd;”
niet met zich brengt dat op grond van art. 8 Uitv Pro.besch. OB '68 te weinig betaalde omzetbelasting over tijdvakken welke voor de datum van overdracht van een bedrijf zijn gelegen door degene die het bedrijf heeft overgenomen zijn verschuldigd, niet onjuist.Bedacht moet immers worden dat genoemd art. 31 blijkens Pro de wetshistorie slechts ten doel heeft cumulatie van belasting te voorkomen, in verband waarmede art. 8 van Pro voornoemde beschikking ook niet
spreekt van heffing van belasting maar van berekening van belasting.
Met deze bepaling kan dan ook slechts zijn bedoeld dat bij feiten welke zich na de overdracht van een bedrijf voordoen, de berekening van de daarmede gemoeide belasting overeenkomstig de in art. 8 verwoorde Pro fictie dient te geschieden.”
6.Verschuldigdheid van herzienings-btw
De herziening geschiedt telkens voor een tiende gedeelte van de voorbelasting op basis van de voor het boekjaar geldende gegevens bij de aangifte over het laatste belastingtijdvak van dat boekjaar. [21]
belasting welke op basis van de voor dat boekjaar geldende gegevens voor aftrek in aanmerking komt, niet meer dan tien percent verschilt van de in aftrek gebrachte belasting.”
elk jaarheeft de herziening slechts betrekking op eenvijfde deel, of, indien de herzieningsperiode is verlengd, op het overeenkomstige gedeelte van de BTW op de investeringsgoederen.
de wijzigingen in het recht op aftrek die zich in de loop van de volgende jaren ten opzichte van het jaar van verkrijging, vervaardiging of, in voorkomend geval, eerste gebruik van de goederen hebben voorgedaan.”
verhouding van de wijzigingen van het definitieve verhoudingsgetal van elk van de vier jaren volgend op het jaar van verkrijging, ten opzichte van het definitieve verhoudingsgetal van het jaar van verkrijging. Er vindt evenwel geen herziening plaats, indien het geconstateerde verschil kleiner is dan tien punten.” [23]
gedurendehet jaar. Dat lijkt mij niet. Ik illustreer dat aan de hand van een voorbeeld, waarin ik gemakshalve boekjaren gelijk stel aan (kalender)jaren.