Het Gerechtshof te Leeuwarden sprak verdachte vrij van het primair tenlastegelegde, maar veroordeelde hem voor medeplegen van verduistering van 160 stuks steigermaterialen tot een werkstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis.
Verdachte stelde cassatie in tegen deze uitspraak. De Hoge Raad oordeelde dat het eerste middel, dat klaagt over de tegenstrijdigheid tussen de motivering en de opgelegde straf, terecht is. Het hof had in de motivering aangegeven een deel van de werkstraf voorwaardelijk op te leggen, maar dit niet in het dictum verwerkt, waardoor de strafoplegging onvoldoende gemotiveerd is.
Het tweede middel, gericht op de bewijsuitsluiting wegens onrechtmatige staande houding, faalde omdat het hof voldoende gronden had om het redelijk vermoeden van schuld aan te nemen. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verwees de zaak terug naar het hof voor een nieuwe berechting van dat onderdeel, terwijl het overige cassatieberoep werd verworpen.