Conclusie
Onderdeel Abestrijdt
onder 9als onredelijk en onbegrijpelijk dat de vrouw in appel nieuwe gronden mocht aanvoeren, waar zij in eerste aanleg een alimentatie van slechts € 500,- had verzocht. De klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting, omdat de vrouw haar verzoek in hoger beroep mocht wijzigen en vermeerderen (art. 362 jo Pro art. 283 Rv Pro).
“(d)oor slechts 60% van het vroegere (…) gezinsinkomen als enige maatstaf te hanteren”, heeft miskend dat alle door partijen aangevoerde omstandigheden van belang zijn. De klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof niet als enige criterium het vroegere gezinsinkomen heeft gehanteerd, maar van een gedocumenteerde kostenopstelling is uitgegaan en slechts heeft geconstateerd dat de uitkomst daarvan
“overigens”met 60% van dat inkomen overeenstemt.
nietop het huwelijkse gezinsinkomen heeft gebaseerd.
Onderdeel Bbestrijdt het oordeel met betrekking tot de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man als onvoldoende gemotiveerd.
Onder 21herhaalt het in wezen de hiervoor al besproken klacht van onderdeel A onder 11. Voorts klaagt het onderdeel in algemene zin (
onder 16, 20, 22 en 23) over het feit dat het hof niet is ingegaan op hetgeen de man bij verweerschrift heeft aangevoerd en de stukken die hij daarbij heeft aangeleverd (maar die in het overgelegde procesdossier ontbreken). Zonder nadere verbijzondering en uitwerking kunnen deze klachten niet tot cassatie leiden. Overigens meen ik dat de klachten deels feitelijke grondslag missen. Zo wordt het hof onder 23 verweten geen rekening te hebben gehouden met de opstelling van lasten in het verweerschrift onder 3 A. De rechtbank is op p. 4 van haar beschikking reeds van de belangrijkste van de aldaar opgevoerde lasten uitgegaan, terwijl het hof blijkens rov. 8 is uitgegaan van dezelfde financiële gegevens als die waarmee de rechtbank rekening heeft gehouden.