Conclusie
8.Het eerste middel
9.Het tweede middel
tenuitvoerleggingvan een Italiaanse confiscatiebeslissing.
asset sharingis voorzien in bilaterale en multilaterale verdragen (vgl. artikel 16 van Pro het Kaderbesluit 2006/783/JBZ van 6 oktober 2006).
10.Het derde middel
de factoneer op het alsnog vaststellen van de schuld van de klager aan het misdrijf witwassen. De motivering van die beslissingen is volgens de raadsman weliswaar verschillend, maar houdt in de kern in dat de klager in Nederland een groot geldbedrag bij zich had dat niet door zijn legale inkomsten kan worden verklaard en dus wel van misdrijf afkomstig moet zijn. Daarbij lijkt echter te worden vergeten dat de klager juist met betrekking tot die beschuldiging is vrijgesproken. Nu er in Italië een uitspraak is gedaan die een flagrante schending oplevert van artikel 6 van Pro het EVRM, heeft Nederland een zelfstandige verplichting af te zien van het verlenen van rechtshulp, aldus de raadsman."
met medeplichtigheid van [betrokkene 6], [betrokkene 7] die afzonderlijk worden vervolgd):
cpv, 110 en 648 bis
c.p.vanwege het feit dat zij, met meerdere uitvoeringshandelingen van hetzelfde misdadige plan, gezamenlijk en met [betrokkene 8] (overleden), de opbrengst (€ 1.000.000 en € 402.000) afkomstig uit de internationale handel in verdovende middelen, onderwerp van het onderzoek, hebben overgedragen en vervolgens hebben geherinvesteerd op niet nader aangegeven wijze, zoals onder andere naar voren is gekomen uit de telefoontaps die zijn vervat in de episode die is gerubriceerd met het nummer 3 en 12;
g.i.p.[rechter-commissaris] is opgemerkt in blz. 642-645 van het
o.c.c.[bevel tot inbewaringstelling] opnieuw overgeschreven, waarbij de overwegingen van de dwangmiddelen die op dit punt door de rechter uiteen zijn gezet als volledig te onderschrijven worden geacht:
inbeslagnemingnaar Nederlands recht is toegestaan gaat het hier niet (de vraag is of het - al dan niet rechtmatig - inbeslaggenomen geld kan worden geconfisqueerd). Om de vraag of er gegronde redenen bestaan voor de verwachting dat door de verzoekende staat een verzoek tot tenuitvoerlegging zal worden gedaan, gaat het evenmin. Over het vervolg – de vraag of een gedaan verzoek zal worden gehonoreerd – wordt door de Hoge Raad niet gesproken.
determination of civil rightszodat art. 6 lid 1 EVRM Pro op die procedure van toepassing is. Bij de vraag of de procedure aan de eisen van art. 6 lid 1 EVRM Pro voldeed, betrok het EHRM dat de Oostenrijkse exequaturrechter moest beoordelen “whether the proceedings before the Rhode Island District Court, which had issued the confiscation order, had been in conformity with the standards of Article 6 of the Convention” (§ 77). Dat echter was niet meer dan een feitelijke constatering. De taak van de exequaturrechter om het proces in de Verenigde Staten aan art. 6 EVRM Pro te toetsen, berustte op het Oostenrijkse nationale recht (zie onder Relevant Domestic Law, § 52). Conclusies met betrekking tot de eisen die uit het EVRM voortvloeien, kunnen hieruit dan ook niet getrokken worden. Opmerkelijk is dat het EHRM bij de vraag of de tenuitvoerlegging van de confiscatiemaatregel art. 1 lid 2 van Pro het Eerste Protocol schond, niet terugkwam op de vraag of Saccoccia in de Verenigde Staten een eerlijk proces had gekregen. Dit ondanks het feit dat Saccoccia had gesteld dat dit niet het geval was.
a flagrant denial of justice. Met dat “could be” lijkt een slag om de arm te worden gehouden. [23] Maar in elk geval geldt dat er serieus rekening mee moet worden gehouden dat de in het kader van art. 5 EVRM Pro ontwikkelde
flagrant denial of justice-testook van toepassing is bij een beroep op art. 1 lid 2 Eerste Pro Protocol. Dat op dit punt onderscheid zou moeten worden gemaakt tussen een door de nationale rechter en een door een buitenlandse rechter opgelegde sanctie is daarbij weinig aannemelijk. Steun daarvoor kan gevonden worden in § 185, waarin een vergelijking wordt gemaakt met de zaak Soccoccia tegen Oostenrijk. Dat het daarin ging om een door een buitenlandse rechter bevolen confiscatie, maakt kennelijk geen verschil.
a flagrant denial of justice. Het EHRM spreekt van een “stringent test”, waarbij het aankomt op de vraag of sprake is van “a nullification, or destruction of the very essence” van een eerlijk proces. Voor een samenvatting van de schaarse gevallen waarin het EHRM oordeelde dat daarvan sprake was, verwijst het Hof naar onder meer de zaak Tsonyo Tsonev tegen Bulgarije (EHRM 16 oktober 2012, appl.no. 21124/04). De desbetreffende paragraaf (§ 59) luidt als volgt:
a flagrant denial of justice. Er zijn goede redenen waarom daaraan getwijfeld kan worden. De eerste en misschien wel belangrijkste reden is dat niet is aangevoerd dat Polito niet de gelegenheid heeft gehad om in de Italiaanse procedure aan te voeren dat de gegeven vrijspraken aan de confiscatie van het geldbedrag in de weg staan en dat hem geen rechtsmiddelen ten dienste stonden om tegen de zijns inziens op onjuiste gronden bevolen confiscatie op te komen. Als klager in de Italiaanse procedure alle gelegenheid heeft gehad om zich op de beweerdelijke schending van de onschuldpresumptie te beroepen, kan moeilijk worden gezegd dat het recht op een eerlijk proces in de kern is aangetast.
a flagrant denial of justicezich mogelijk af te tekenen.
a flagrant denial of justicekan worden gesproken, is dat het nog maar de vraag is of sprake is van een ernstige schending van de onschuldpresumptie. Dat de in Italië gegeven vrijspraak wegens witwassen niet zou zijn gerespecteerd, lijkt op het eerste gezicht goede grond te missen. In de motivering van de gegeven vrijspraak wordt uitdrukkelijk vastgesteld dat het inbeslaggenomen geld diende voor de aankoop van verdovende middelen en op de handel in die middelen betrekking had. De motivering van de confiscatiemaatregel in de beslissing van 25 februari 2010 sluit daar naadloos op aan. De reden voor de gegeven vrijspraak zou geweest kunnen zijn – ik druk mij voorzichtig uit omdat in cassatie noch voor de uitleg van een buitenlands vonnis, noch voor de uitleg van buitenlands recht plaats is – dat niet bewezen is dat, zoals was tenlastegelegd, sprake was van een hergebruik van misdaadgeld voor andere activiteiten. Het kan daarbij zijn dat de specifieke vorm van witwassen zoals die was tenlastegelegd niet bewezen kon worden. Het kan ook zijn dat volgens Italiaans recht het enkele voorhanden hebben van door eigen misdrijf verkregen geld geen witwassen van dat geld oplevert. In de beslissing van 25 februari 2010 wordt zoals wij zagen met zoveel woorden vastgesteld dat het inbeslaggenomen geld afkomstig was van misdrijven die door Polito zelf werden gepleegd. Misschien is het wel zo dat met die vaststelling nog eens werd onderstreept dat van witwassen geen sprake was.
a flagrant denial of justicelijkt in elk geval meer nodig te zijn.
a flagrant denial of justiceen dat daarom geenszins vaststaat dat de tenuitvoerlegging van de confiscatiebeslissing in strijd komt met art. 1 lid 2 Eerste Pro Protocol. Die conclusie brengt mijns inziens mee dat het ervoor gehouden kan worden dat in de overwegingen van de Rechtbank als haar niet onbegrijpelijke oordeel besloten ligt dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de later oordelende exequaturrechter het gevoerde verweer zal verwerpen en daarin dus geen reden zal vinden om het verlof tot tenuitvoerlegging te weigeren.