ECLI:NL:PHR:2013:533

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
28 mei 2013
Publicatiedatum
27 augustus 2013
Zaaknummer
12/02488 H
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 457 SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek poging tot doodslag na vechtpartij op muziekfestival

Aanvrager werd onherroepelijk veroordeeld tot achttien maanden gevangenisstraf, waarvan zes maanden voorwaardelijk, wegens poging tot doodslag op het terrein van een muziekfestival in Vijlen. De veroordeling was gebaseerd op het oordeel van het hof dat aanvrager met volle kracht het slachtoffer in het gezicht had getrapt, wat leidde tot ernstige verwondingen.

Het herzieningsverzoek berustte op vijf nieuwe getuigenverklaringen die stelden dat aanvrager zich verdedigde tegen meerdere aanvallers en dat hij het slachtoffer niet met volle kracht had geschopt terwijl deze hulpeloos op de grond lag. De verklaringen werden nader door de politie bevestigd, maar verschilden van de eerdere verklaringen die het hof als bewijsmiddelen had gebruikt.

De Hoge Raad oordeelde dat deze nieuwe verklaringen geen novum vormen dat het eerdere bewijs substantieel zou weerleggen. De verklaringen betroffen vooral ontkenningen van het schoppen en benadrukten de wederzijdse vechtpartij, maar konden het bewijs van het hof niet ondermijnen. De aanvraag tot herziening werd daarom afgewezen.

Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen en de veroordeling tot poging tot doodslag blijft ongewijzigd.

Conclusie

Nr. 12/02488 H
Mr. Machielse
Zitting 28 mei 2013
Conclusie inzake:

[aanvrager]

1. Bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 21 september 2010 [1] is aanvrager wegens het primair ten laste gelegde feit “poging tot doodslag” veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden waarvan zes maanden voorwaardelijk met daaraan verbonden een proeftijd van twee jaren.
2. Namens aanvrager heeft mr. P.W. Szymkowiak, advocaat te Maastricht, een aanvraag tot herziening ingediend.
3. Uit het arrest van het hof kan worden afgeleid dat het hof van het volgende feitencomplex is uitgegaan. In de nacht van 7 augustus 2008 bevonden aanvrager en het latere slachtoffer [slachtoffer] zich op het terrein van het Open Air muziekfestival te Vijlen. Aldaar had aanvrager een conflict met de broer van [slachtoffer]. Toen [slachtoffer] zich daarmee bemoeide, ontstond slaande ruzie tussen aanvrager en [slachtoffer]. Op enig moment sloeg aanvrager met gebalde vuist in het gezicht van [slachtoffer], waarop deze bewusteloos in elkaar zakte en op de grond viel. Vervolgens trapte aanvrager met volle kracht, op een manier waarop men tegen een voetbal trapt, met de geschoeide voet in het gezicht van [slachtoffer]. Bij een kort daarna uitgevoerd medisch onderzoek werden bij [slachtoffer] een op meerdere plaatsen gebroken jukbeen, een op meerdere plaatsen gebroken neus, een beschadigde zenuw in het gezicht, een hersenschudding of hersenkneuzing en nekletsel vergelijkbaar met een whiplash geconstateerd.
4. Tijdens de behandeling van de strafzaak in hoger beroep ter terechtzitting van 7 september 2010 heeft de verdediging ten verwere aangevoerd dat aanvrager werd aangevallen door meerdere personen waaronder [slachtoffer], dat voor aanvrager sprake was van een noodweersituatie waarin hij zich rechtmatig heeft verdedigd en dat hij [slachtoffer] niet met volle kracht in het gezicht heeft getrapt terwijl deze hulpeloos op de grond lag. Het hof heeft deze verweren gemotiveerd verworpen en heeft geoordeeld dat aanvrager zich heeft schuldig gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot doodslag.
5. De aanvraag borduurt voort op de in hoger beroep gevoerde verdediging en berust op de stelling dat uit de inhoud van een vijftal getuigenverklaringen, welke aan de aanvraag zijn gehecht, volgt dat aanvrager [slachtoffer] niet tegen het hoofd heeft geschopt, dat hij zich heeft moeten verdedigen tegen een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door een groep onder aanvoering van [slachtoffer] en dat, ware dit aan het hof bekend geweest, dit zou hebben geleid tot vrijspraak van het primair ten laste gelegde feit, althans tot ontslag van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer, althans tot toepassing van een minder zware strafbepaling.
6. De bij de aanvraag gevoegde verklaringen, welke zijn afgelegd ten overstaan van rapporteurs van het advies- en recherchebureau Advirec VOF te Maastricht, houden - zakelijk weergegeven - het volgende in:
- [betrokkene 1] verklaart op 10 december 2010 dat hij in augustus 2008 in Vijlen aanwezig was bij een vechtpartij tussen aanvrager en [slachtoffer] en dat hij heeft gezien dat [slachtoffer] en diens broer ruzie zochten met aanvrager. Op enig moment werd aanvrager aangevallen door vier personen waaronder [slachtoffer]. Aanvrager verdedigde zich door om zich heen te slaan. [slachtoffer] is niet bewusteloos neergegaan, hij viel wel op de grond maar mengde zich na enkele seconden weer in het gevecht. [betrokkene 1] zegt zeker te weten dat aanvrager [slachtoffer] niet in het gezicht heeft geschopt;
- [betrokkene 2] verklaart op 10 december 2010 dat hij niet aanwezig is geweest bij de vechtpartij in Vijlen in augustus 2008 en dat hij niet weet wat zich daarbij heeft afgespeeld, maar dat hij van [betrokkene 3] [AM: wiens op 10 augustus 2008 afgelegde, voor aanvrager belastende verklaring door het hof als bewijsmiddel 2 tot het bewijs is gebezigd] heeft gehoord dat [betrokkene 3] de vechtpartij ook niet heeft meegekregen omdat hij op het toilet zat;
- [betrokkene 4] verklaart op 22 december 2010 dat hij “de bewuste avond” aanwezig was op het terrein van het Open Air feest te Vijlen en dat hij zag dat aanvrager de berg af rende terwijl hij achterna werd gezeten door twee personen, vermoedelijk [slachtoffer] en diens broer. Kort daarop lag aanvrager op de grond. Er lag iemand bovenop hem en een andere persoon was hem aan het slaan, wederom vermoedelijk [slachtoffer] en diens broer. Volgens [betrokkene 4] heeft aanvrager zich moeten verdedigen tegen meerderen;
- [betrokkene 5] verklaart op 30 april 2012 dat zij getuige is geweest van de gebeurtenissen tijdens de vechtpartij in Vijlen in 2008. Zij heeft gezien dat aanvrager werd aangevallen door een groep personen die duidelijk op zoek waren naar ruzie, waaronder [slachtoffer] en diens broer. De groep rende onder aanvoering van [slachtoffer] op aanvrager af en viel hem aan, waarop aanvrager zich verdedigde tegen de meerdere aanvallers die hem maar bleven belagen. [betrokkene 5] verklaart zeker te weten dat [slachtoffer] niet op de grond is blijven liggen en dat er geen sprake van kan zijn dat aanvrager hem tegen het hoofd heeft geschopt;
- [betrokkene 6] verklaart op 5 mei 2012 dat hij in 2008 aanwezig was op het feestterrein te Vijlen en dat hij heeft gezien en gehoord dat aanvrager werd uitgedaagd en aangevallen door een groep van ongeveer vier personen, waaronder [slachtoffer] en diens broer, die al de hele avond agressief en intimiderend waren. Dit resulteerde in een vechtpartij tussen aanvrager en [slachtoffer] waarbij over en weer klappen vielen. [betrokkene 6] benadrukt dat slechts met gebalde vuist naar elkaar werd geslagen en dat er beslist niet is geschopt. Bovendien liep aanvrager een aantal keren weg, kennelijk om zich aan zijn belagers te onttrekken, maar deze personen onder aanvoering van [slachtoffer] bleven hem maar volgen en belagen.
7. In verband met de beoordeling van de aanvraag heb ik het College van Procureurs-Generaal verzocht genoemde vijf personen te doen horen door de politie. De in dat kader ten overstaan van [verbalisant], hoofdagent van politie, afgelegde verklaringen houden - zakelijk weergegeven - het volgende in:
- [betrokkene 2] verklaart op 2 maart 2013 dat zijn op 10 december 2010 ten overstaan van het adviesrecherchebureau afgelegde verklaring klopt. In augustus 2008 hoorde hij van [betrokkene 3] dat [betrokkene 3] “de hele vechtpartij” niet had gezien omdat hij op het toilet was. Toen [betrokkene 3] terug kwam, was het grotendeels afgelopen en zag “het” er verschrikkelijk uit;
- [betrokkene 1] verklaart op 9 maart 2013 dat zijn op 10 december 2010 ten overstaan van het rechercheadviesbureau afgelegde verklaring klopt. Aanvrager werd op enig moment aangesproken door [slachtoffer] en werd meteen daarna aangevallen door drie personen, waaronder [slachtoffer]. Aanvrager weerde de drie personen af door om zich heen te slaan. [betrokkene 1] zegt dat hij niet heeft gezien, althans dat hij zich niet kan herinneren dat tijdens de vechtpartij iemand op de grond is gevallen. Ook heeft hij niet gezien dat aanvrager naar [slachtoffer] heeft geschopt terwijl [slachtoffer] op de grond lag;
- [betrokkene 4] verklaart op 14 maart 2013 dat hij niet heeft gelogen in zijn op 22 december 2010 ten overstaan van het recherchebureau afgelegde verklaring. [betrokkene 4] zag aanvrager de berg af rennen terwijl er twee personen achter hem aan renden. Beneden stonden meerdere mensen en ontstond een vechtpartij. Aanvrager was aan het vechten tegen meerdere personen;
- [betrokkene 6] verklaart op 14 maart 2013 dat zijn op 5 mei 2012 ten overstaan van het adviesrecherchebureau afgelegde verklaring klopt. Hij zag dat er gevochten werd door aanvrager, eerst alleen met [slachtoffer] en later met nog een aantal anderen waaronder de broer van [slachtoffer]. Over en weer werden klappen uitgedeeld, dus zowel door aanvrager als door [slachtoffer] en diens broer. Er werd niet naar elkaar getrapt, althans niet terwijl [betrokkene 6] keek naar de vechtpartij. Tijdens de vechtpartij vielen aanvrager en [slachtoffer] regelmatig op de grond, maar zij stonden telkens meteen weer op en vochten dan weer door. [betrokkene 6] benadrukt dat hij beslist niet heeft gezien dat er naar elkaar werd getrapt als de ander op de grond lag;
- [betrokkene 5] verklaart op 14 maart 2013 dat haar op 30 april 2012 ten overstaan van het adviesrecherchebureau afgelegde verklaring klopt. [slachtoffer] liep naar aanvrager en begon hem meteen te slaan. Aanvrager verweerde zich door terug te slaan. [betrokkene 5] heeft niet gezien dat er werd getrapt, er werd alleen geslagen. Ook heeft zij niemand op de grond zien vallen of liggen.
8. Het is mij duidelijk dat in deze zaak van het begin af aan sprake is van twee “kampen” die lijnrecht tegenover elkaar staan in hun versies van de waarheid. Zoals gezegd is de aanvraag gebaseerd op de overtuiging die bij aanvrager en zijn omgeving leeft, namelijk dat het [slachtoffer] uit was op een confrontatie en dat door [slachtoffer] en zijn omgeving bewust onware verklaringen zijn afgelegd om te verdoezelen dat [slachtoffer] de echte agressor en aanvrager het echte slachtoffer was.
9. Bij de beoordeling van de aanvraag moet het volgende worden vooropgesteld. Als grondslag voor een herziening kan, voor zover hier van belang, krachtens het eerste lid aanhef en onder c van art. 457 Sv Pro slechts dienen een door bescheiden gestaafd gegeven dat bij het onderzoek op de terechtzitting aan de rechter niet bekend was en dat het ernstige vermoeden wekt dat - ware dit gegeven bekend geweest - het onderzoek van de zaak zou hebben geleid hetzij tot vrijspraak van de gewezen verdachte, hetzij tot ontslag van alle rechtsvervolging, hetzij tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie, hetzij tot toepassing van een minder zware strafbepaling (een zogenaamd novum). [2]
10.1 Uit de gedingstukken maak ik op dat in de nacht van 7 augustus 2008 twee vechtpartijen hebben plaatsgevonden op het terrein van het Open Air muziekfestival te Vijlen waarbij aanvrager, [slachtoffer] en/of diens broer waren betrokken, namelijk een gevecht beneden in de zogenaamde “Koel” waarop de bewezenverklaring het oog heeft en even later een tweede gevecht op de parkeerplaats bovenop een talud tussen aanvrager en de broer van [slachtoffer]. Het komt mij voor dat de verklaring van [betrokkene 4] betrekking heeft op het tweede gevecht en dus niets zegt over het gebeuren waarvoor aanvrager is veroordeeld.
10.2 Daarnaast lees ik in de tot de gedingstukken behorende verklaring van getuige [betrokkene 7], de vriend van [betrokkene 5], van 22 augustus 2008 dat hij terwijl het eerste gevecht nog gaande was reeds samen met [betrokkene 5], die volgens [betrokkene 7] bang was en hem vasthield, het feestterrein heeft verlaten. Ik kan mij daardoor niet aan de indruk onttrekken dat [betrokkene 5] niet het volledige verloop van de vechtpartij heeft kunnen waarnemen, hetgeen het niet verwonderlijk maakt dat zij thans (overigens meerdere jaren na het gebeuren) verklaart dat zij niet heeft gezien dat aanvrager [slachtoffer] in het gezicht heeft getrapt.
10.3 Ten aanzien van de verklaring van Kerris merk ik op dat blijkens de gedingstukken [betrokkene 8] en genoemde [betrokkene 7] op 12 respectievelijk 22 augustus 2008 hebben verklaard dat [betrokkene 3] wel degelijk getuige was van het voorval in “De Koel” en direct heeft gezien wat er is gebeurd. Het hof heeft bovendien reeds in het kader van de betrouwbaarheid van de tot het bewijs gebezigde getuigenverklaringen, waaronder die van [betrokkene 3], expliciet geoordeeld dat deze in grote lijnen bij elkaar aansluiten en elkaar op allerlei details ondersteunen, hetgeen erop duidt dat [betrokkene 3] met eigen ogen moet hebben waargenomen wat zich tijdens het eerste gevecht tussen aanvrager en [slachtoffer] heeft afgespeeld. Maar zelfs indien naar aanleiding van de verklaring van [betrokkene 2] zou moeten worden getwijfeld aan het waarheidsgehalte van de tot het bewijs gebezigde verklaring van [betrokkene 3], dan nog doet dit niets af aan de bewezenverklaring aangezien die naar mijn oordeel afdoende op de overige door het hof gebezigde bewijsmiddelen steunt.
10.4 Ook de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 6] ten slotte kunnen geen afbreuk doen aan de door het hof gebezigde bewijsconstructie, nu het feit dat zij, net als [betrokkene 5], meerdere jaren na het gebeuren hebben verklaard dat zij “niet hebben gezien” dat [slachtoffer] door aanvrager in het gezicht is getrapt niet zonder meer betekent dat dit niet is voorgevallen. Bovendien verschillen de verklaringen van [betrokkene 1] en [betrokkene 6] naar de kern genomen niet van hetgeen aanvrager ter terechtzitting in hoger beroep al heeft aangevoerd en kan van de door hen gereleveerde omstandigheden daardoor niet worden gezegd dat deze het hof niet bekend waren. Tot slot wijs ik nog op de in het Duits gestelde verklaring van een medicus uit Aken die verklaart dat [aanvrager] van 7 augustus 2008 tot 11 augustus 2008 in het ziekenhuis is opgenomen geweest met verschillende fracturen in het gezicht, welke kwetsuren wijzen op het aanwenden van zwaar geweld jegens deze persoon en wel in diens gezicht. Dat ondersteunt de verklaring van [slachtoffer], door het hof als bewijsmiddel 1 gebezigd voor het bewijs, waarin deze [slachtoffer] vertelt over de verwondingen die hij heeft opgelopen op 7 augustus 2008.
11. Gelet op het vorenstaande stel ik mij op het standpunt dat het aangevoerde geen novum behelst en dat de aanvraag ongegrond is. Deze conclusie strekt er dan ook toe dat de aanvraag zal worden afgewezen.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nedernden

Voetnoten

1.Het cassatieberoep tegen dit arrest is bij arrest van de Hoge Raad van 8 mei 2012 verworpen met toepassing van art. 81 RO Pro.
2.HR 26 maart 2013, LJN: BZ5568, r.ov. 3.1.