Conclusie
bij uitsluitingbevoegd is daarover te oordelen.
binnen vier maandenna verzending van deze brief de bewoning door u en uw gezin te beëindigen en alle woonvoorzieningen te verwijderen. Als u binnen vier maanden het gebruik beëindigt en de voorzieningen verwijdert, voorkomt u dat wij het college adviseren om u een last onder dwangsom op te leggen.”
bij uitsluiting bevoegdverklaard om te oordelen over de proceskostenvergoeding. De Hoge Raad heeft echter in navolging van haar arrest van 31 december 1915, NJ 1916 in haar arrest van 17 december 2004, AB 2005, 111 bepaald dat de burgerlijke rechter wel bevoegd is indien de vordering gegrond is op onrechtmatig handelen en deze ertoe strekt op die grond schadevergoeding te krijgen. In het onderhavige geschil is de vordering van [eiser] c.s. in de hoofdzaak gegrond op onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW Pro. In de lijn van de jurisprudentie is de rechtbank dientengevolge van oordeel dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.”
2.Inleiding
huishouden is een verzameling van een of meer personen die een woonruimte bewoont en daar zichzelf voorziet, of door derden wordt voorzien, in dagelijkse levensbehoeften”. Uit de definitie van het CBS volgt dat een huishouden gevormd kan worden door iedere verzameling van personen, er wordt geen onderscheid gemaakt in generaties. Dit lijkt de commissie ook logisch. Ook bijvoorbeeld vrienden die samen leven vormen een huishouden. Voor dit standpunt kan steun worden gevonden in de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS) van 1 oktober 2007 (zaaknummer 200709171/1) en 2 mei 2007 (zaaknummer 200603867/1). De Afdeling stelt in deze uitspraken vast dat ook minder traditionele woonvormen zich in beginsel verdragen met een algemene woonbestemming. Hierbij acht de Afdeling wel van belang dat sprake is van continuïteit in de samenstelling en onderlinge verbondenheid. Dit is in casu het geval. Volgens de commissie is geen sprake van strijdigheid met het bestemmingsplan nu het pand door personen van drie generaties als woonruimte wordt gebruikt. Het enkele feit dat er conform de verleende bouwvergunning een bijgebouw is aangebouwd, dat thans dienst doet als woonkamer, doet hieraan niets af. De last kan volgens de commissie dan ook niet in stand blijven.
X/Staat [11] tot de burgerlijke rechter gewend. In dat arrest overwoog de Hoge Raad als volgt:
X/Staatwas de vraag aan de orde of het communautaire recht zich verzette tegen de (slechts) forfaitaire vergoeding van proceskosten zoals voorzien in het toenmalige Besluit proceskosten fiscale procedures (hierna: Bpf), in het geval dat de belastingplichtige met succes op gemeenschapsrechtelijke gronden tegen een aan hem opgelegde belastingaanslag was opgekomen. Het Bpf berustte op het toenmalige art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, welk artikel grote gelijkenis vertoonde met art. 8:75 Awb Pro: het verklaarde de belastingrechter (het gerechtshof)
bij uitsluitingbevoegd een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij het gerechtshof redelijkerwijze had moeten maken.
uitsluitendaangemerkte (en ook door de wetgever zo bedoelde [12] ) bevoegdheid van de belasting- c.q. bestuursrechter roept vragen op over het hiervóór (onder 2.7) geciteerde oordeel in rov. 3.3 dat
“(o)ok al zou moeten worden aangenomen dat de vordering van X. c.s. in wezen ertoe strekt (…) de Staat te veroordelen in de proceskosten van de voor het hof gevoerde belastingprocedure, dan nog (…) de omstandigheid dat X. c.s. haar hebben gegrond op onrechtmatig handelen van de Staat en de vordering ertoe strekt op die grond schadevergoeding te verkrijgen, mee(brengt) dat de burgerlijke rechter bevoegd is daarvan kennis te nemen.”De leer van het
objectum litis, waarop dat oordeel kennelijk berust, lijkt immers niet opgewassen tegen de uitdrukkelijk in de wet in formele zin gemaakte keuze dat
bij uitsluitingde belasting- c.q. de bestuursrechter - en dus niet (ook) de burgerlijke rechter - met betrekking tot een veroordeling in de proceskosten van de fiscale c.q. bestuursrechtelijke procedure bevoegd zal zijn. En dat geldt ook voor zover de leer van het
objectum litisop art. 112 Grondwet Pro steunt: het staat de rechter immers niet vrij de wet in formele zin aan de Grondwet te toetsen. Voorts moet worden bedacht dat de door de wetgever beoogde
uitsluitendebevoegdheid van de belasting- c.q. bestuursrechter niet of nauwelijks van betekenis zou zijn, als zij daadwerkelijk voor het
objectum litiszou moeten wijken. Terwijl zich in civiele zaken niet dan bij wijze van hoge uitzondering zal voordoen dat de kosten waarin de in het ongelijk gestelde partij is veroordeeld, door haar
onrechtmatig handelenzijn veroorzaakt, is dat laatste in fiscale en bestuursrechtelijke zaken waarin er termen zijn de betrokken overheid in de kosten van de justitiabele te veroordelen, veeleer regel dan uitzondering: de vernietiging van het door de justitiabele aangevochten besluit waaraan een dergelijke kostenveroordeling doorgaans gepaard gaat, impliceert volgens de leer van de besluitaansprakelijkheid immers onrechtmatigheid van dat besluit en bovendien (in beginsel) schuld van de betrokken overheid. Voor de kosten van de bezwaarprocedure, waarop de onderhavige zaak ziet, is de samenloop van de door de Awb beoogde vergoeding van de kosten van de belanghebbende en een verwijtbare onrechtmatige daad van de betrokken overheid zelfs absoluut. Volgens de regeling van art. 7:15 lid 2 Awb Pro (waaraan ingevolge art. 8:75 lid Pro 1, tweede volzin, Awb ook de bij uitsluiting bevoegde bestuursrechter is gebonden) worden die kosten immers
uitsluitendvergoed voor zover het bestreden besluit wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid wordt herroepen. Bij het doortrekken van de lijn van
X/Staatzouden, ondanks de
uitsluitendebevoegdheid van de bestuursrechter, vanwege de onrechtmatigheid van het herroepen besluit steeds twee sporen openstaan om vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure te claimen.
X/Staat, in de context waarin het werd gewezen, alleszins kan worden gerechtvaardigd. Het arrest moet worden bezien tegen de achtergrond van de jurisprudentie van de (bij uitsluiting bevoegde) belastingrechter, die (tot 1 september 1999) meer malen heeft geoordeeld dat een beroep op rechtstreeks werkend internationaal recht, strekkende tot onverbindendverklaring van art. 5a Wet administratieve rechtspraak belastingzaken, althans van het Bpf, althans van de daarbij behorende bijlage, zou neerkomen op een vordering tot schadevergoeding wegens onrechtmatige daad, waarvan de belastingrechter geen kennis neemt [13] . Ik deel het oordeel van A-G Wattel in diens conclusie onder 5.21 voor het arrest dat moeilijk valt in te zien waarom in de belastingprocedure geen plaats zou zijn voor een beoordeling van de vraag of forfaitering van de fiscale proceskosten verenigbaar is met rechtstreeks werkend internationaal recht, meer in het bijzonder met rechtstreeks werkend (voorheen) gemeenschapsrecht (thans Unierecht). A-G Wattel, die terecht heeft gewezen op de ook voor de belastingrechter - zelfs reeds naar nationaal recht [14] - bestaande mogelijkheid (zo niet verplichting) de betrokken bepalingen bij strijd met rechtstreeks werkend recht van hogere orde buiten toepassing te laten, suggereerde in zijn conclusie dat het vooralsnog ontbreken van een bepaling als die van art. 8:73 Awb Pro een rol heeft gespeeld in de terughoudendheid van de belastingrechter met betrekking tot aanspraken van de belastingplichtige die met een onrechtmatige daad van de betrokken overheid verband zouden kunnen houden. Wat daarvan zij, door de opstelling van de belastingrechter zou feitelijk een hiaat in de rechtsbescherming zijn ontstaan, als de vraag of de forfaitering van de fiscale proceskosten niet óók aan de burgerlijke rechter zou kunnen worden voorgelegd. Op die grond heeft A-G Wattel bevoegdheid van de burgerlijke rechter verdedigd, hoe weinig het ook naar zijn oordeel voor de hand ligt dat de bij uitsluiting tot toepassing van de betrokken bepalingen bevoegde belastingrechter voor een toetsing van die bepalingen aan rechtstreeks werkend internationaal recht in wezen verwijst naar de burgerlijke rechter, die juist door de wetgever in formele zin uitdrukkelijk was en is uitgesloten (conclusie onder 5.21). Aan het beeld dat de burgerlijke rechter aldus in wezen is gaan zitten op de stoel van de bij uitsluiting bevoegde belastingrechter, draagt overigens bij dat de Hoge Raad, alhoewel hij de burgerlijke rechter bevoegd acht, diens mogelijkheden tot afwijking van de forfaitaire vergoeding niet ruimer heeft bepaald dan de mogelijkheden waarover de belastingrechter bij reguliere toepassing van het Bpf reeds beschikte: terwijl de Hoge Raad slechts in zeer bijzondere gevallen een dergelijke afwijking mogelijk achtte, voorzag het Bpf reeds (in art. 2 lid Pro 3) in de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden van de forfaitaire berekening af te wijken.
X/Staatgeplaatst in de sleutel van een door de civiele rechter te voorkomen rechtsvacuüm [15] :
X/Staatdiende te voorzien, zich sedert 1 september 1999 niet meer voor. Bij die stand van zaken zie ik geen enkele reden en geen enkele grond om de lijn van dat arrest ook na die datum door te trekken, noch in zaken waarin zich (zoals in de zaak
X/Staat) een mogelijk conflict van de forfaitering van de proceskosten met rechtstreeks werkend internationaal recht voordoet, noch daarbuiten. In de opmerking van Feteris dat
“(n)aar huidig recht (…) de belanghebbende een zaak als de onderhavige daardoor(als gevolg van de toepasselijkheid van art. 8:73 Awb Pro op de fiscale procedure; LK)
(ook) (kan) voorleggen aan de belastingrechter”, acht ik het reeds door Feteris tussen haakjes geplaatste woord
“ook”daarom discutabel. Ten slotte teken ik aan dat, zo art. 8:73 Awb Pro (anders dan ik meen) al van belang zou zijn voor de mogelijkheden van de belastingrechter om de bepalingen tot toepassing waarvan hij bij uitsluiting bevoegd is, aan rechtstreeks werkend supranationaal recht te toetsen, daaruit in géén geval mag worden afgeleid dat de justitiabele in verband met de keuzevrijheid die art. 8:73 Awb Pro verondersteld wordt aan hem te laten, óók ervoor kan kiezen in plaats van de belastingrechter de burgerlijke rechter te adiëren. De bedoelde keuzevrijheid berust op de veronderstelde bedoeling van de wetgever van de Awb [16] . In verband met de vraag wie bevoegd is te oordelen over de vergoeding van kosten van fiscale en bestuursrechtelijke (voor)procedures, kan een op keuzevrijheid gerichte bedoeling onmogelijk worden aangenomen, nu diezelfde wetgever voor dát onderwerp de belasting- c.q. de bestuursrechter
bij uitsluitingbevoegd heeft verklaard en de burgerlijke rechter aldus heeft uitgesloten.
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
“A. Bijzonder geval”en onder
“Artikel 8 EVRM Pro”, alsmede een “veegklacht” (cassatiedagvaarding, p. 7) met betrekking tot de doorwerking van het welslagen van één van de voorgaande klachten in rov. 5 (
“Slotsom”) en het dictum.
“zeer bijzonder geval”als bedoeld in het hiervóór (onder 2.7) geciteerde arrest
X/Staat. Het hof heeft in dat verband overwogen:
Het hof verwerpt deze stelling. Uit de Parlementaire Geschiedenis bij de Wijziging van de Algemene wet bestuursrecht met betrekking tot de kosten van bezwaar en administratief beroep (kosten bestuurlijke voorprocedures) blijkt dat onder voormelde bijzondere gevallen waarin van het forfaitaire tarief kan worden afgeweken, “zeer schrijnende gevallen” moet worden verstaan (TK 1999/2000, 27 024, nr. 3, p. 7). Volgens de Advocaat-Generaal Wattel in zijn conclusie bij voornoemd arrest zou in dit verband gedacht kunnen worden aan kennelijk chicaneus, althans onredelijk procesgedrag.
feitelijk gebruikvan het bijgebouw als in overeenstemming met het bestemmingsplan heeft aangemerkt. Dat het voor de Gemeente overduidelijk moest zijn dat er geen sprake was van een dubbele zelfstandige bewoning en dus evenmin van een overtreding, hebben [eiser] c.s. weliswaar gesteld, maar deze stelling hebben zij, mede in het licht van de gemotiveerde betwisting van de Gemeente dat er voldoende concrete aanwijzingen waren dat sprake was van een tweede zelfstandige woning op het perceel (…), onvoldoende concreet onderbouwd. Aangezien [betrokkene 3] reeds op 21 april 2008 in zijn rapport vermeldde dat de uitgebouwde woning en het nieuw gebouwde zich goed lenen voor dubbele bewoning en het controle rapport dat op 12 november 2008 door twee medewerkers van de gemeente is uitgebracht, eveneens een dergelijke situatie beschrijft, kon bij de gemeente inderdaad een gegrond vermoeden bestaan dat sprake was van dubbele zelfstandige bewoning. Daaraan stond de eindcontrole door de bouwinspecteur met betrekking tot het naleven van de bouwkundige voorschriften op zichzelf niet in de weg.”
“zeer bijzonder geval”in de zin van het arrest
X/Staatoplevert. Voor zover het hof heeft gemeend dat in het onderhavige geval geen sprake is (of kan zijn) van een handelen “tegen beter weten in”, is dat oordeel volgens het onderdeel, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk, nu het hof (in rov. 4.3) aan de op dit punt essentiële stellingen van [eiser] c.s. niet (expliciet) aandacht heeft besteed. Daarbij herinnert het onderdeel aan de stellingen van [eiser] c.s. volgens welke het betrokken bestemmingsplan - mede blijkens jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State [17] - niet aan dubbele bewoning in de weg staat en dat, voor zover het hof het oog heeft gehad op het realiseren van een tweede zelfstandige woning, de verleende bouwvergunning aan het bestemmingsplan is getoetst en daarmee in overeenstemming is bevonden. Als het hof, dat, nog steeds volgens het onderdeel, onvoldoende duidelijk heeft gemaakt op welke (vermeende) overtreding zijn overwegingen betrekking hebben, daarin het oog zou hebben gehad op dubbele bewoning, had het de door [eiser] c.s. gereleveerde vraag of dubbele bewoning in strijd met het bestemmingsplan en/of de bouwvergunning mocht worden geacht, niet onbesproken mogen laten. Als het hof het oog zou hebben gehad op het realiseren van een tweede zelfstandige woning, zou het bestreden oordeel eveneens onbegrijpelijk zijn, niet slechts vanwege de door het hof gehanteerde en onduidelijke term
“dubbele zelfstandige bewoning”, maar ook omdat uit het feit dat de eerder geconstateerde overeenstemming van de gevraagde vergunning met het bestemmingsplan en het feit dat in overeenstemming met die vergunning is gebouwd, voor de Gemeente (over)duidelijk moet zijn geweest dat niet een (met het bestemmingsplan strijdige) tweede zelfstandige woning is gerealiseerd. Het onderdeel betoogt dat tegen de achtergrond van dit een en ander het oordeel dat [eiser] c.s. onvoldoende concreet hebben onderbouwd dat
“het voor de Gemeente overduidelijk moest zijn dat er geen sprake was van een dubbele zelfstandige bewoning en dus evenmin van een overtreding”, onbegrijpelijk is.
“dubbele zelfstandige bewoning”, kan het slechts het gebruik van het bijgebouw en een deel van het hoofdgebouw als (tweede) zelfstandige woonruimte hebben bedoeld. In cassatie wordt niet betwist dat het gebruik van het bijgebouw en een deel van het hoofdgebouw als (tweede) zelfstandige woonruimte niet is toegelaten.
realiserenvan een tweede woning, maar het vermeende
gebruikvan het bijgebouw en een deel van het hoofdgebouw als (tweede)
zelfstandigewoonruimte.
“zeer bijzonder geval”sprake zou zijn, niet slagen, nog daargelaten of ieder handelen
“tegen beter weten in”, zoals [eiser] c.s. veronderstellen, daadwerkelijk voor een
“zeer bijzonder geval”in de zin van het arrest
X/Staatvolstaat. In verband met de toepassing van art. 2 lid 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht is het
“tegen beter weten in”-criterium inderdaad wel gehanteerd, in het bijzonder in de fiscale rechtspraak [18] . Nog daargelaten dat het criterium van het arrest
X/Staatvan een
“zeer bijzonder geval”strikter is dan dat van art. 2 lid 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht (
“In bijzondere omstandigheden (…)”), zijn er aanwijzingen dat de wetgever (ook) bij de toepassing van die laatste bepaling een grotere terughoudendheid heeft beoogd. Zo is bij de parlementaire behandeling van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures opgemerkt [19] :
“bijzondere omstandigheid”in de zin van art. 2 lid 3 van Pro het Besluit proceskosten bestuursrecht. Om zich bloot te stellen aan het verwijt
“tegen beter weten in”te hebben gehandeld, zal het bestuur het besluit met
wetenschapvan de onhoudbaarheid daarvan moeten hebben genomen en/of het besluit met
wetenschapvan de onhoudbaarheid daarvan onaanvaardbaar lang moeten hebben gehandhaafd. Het is niet onbegrijpelijk dat het hof daarvoor in de stellingen van [eiser] c.s. onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden, temeer nu de Gemeente haar besluit naar aanleiding van het daartegen door [eiser] c.s. gemaakte bezwaar niet heeft gehandhaafd, maar juist heeft herroepen.
“het bijgebouw (…) niet (mag) worden gebruikt als extra zelfstandige woonruimte op het perceel.”[eiser] c.s. (althans [eiser 3]) hebben (heeft) die toezichthoudende en controlerende rol reeds voor de litigieuze huisbezoeken op 12 november 2008 en 28 april 2009 kunnen ervaren. Naar hun eigen stellingen hebben gedurende de bouw immers diverse controles door de bouwinspecteur van de Gemeente, [betrokkene 3], plaatsgehad (inleidende dagvaarding onder 7).
controleop de hoogte is gebracht. Uit het uitvoerige feitelijke relaas blijkt voorts dat voorafgaande aan de controle (waarbij overigens ook de aannemer van [eiser] c.s. aanwezig was) een uitvoerig gesprek over de vraag
“waarvoor de controle nodig was”heeft plaatsgehad. Daarbij is van de zijde van de betrokken ambtenaren medegedeeld dat de controle ertoe strekte
“te kijken of er twee zelfstandige wooneenheden aanwezig zijn”. Tevens is daarbij aangegeven dat het vermoeden bestond dat in de woning twee zelfstandige wooneenheden aanwezig zijn. Ook is blijkens het rapport besproken op welke aspecten de betrokken ambtenaren het al dan niet aanwezig zijn van twee zelfstandige wooneenheden wilden controleren. Eerst na dat gesprek zijn (nog steeds blijkens dat rapport) de betrokken ambtenaren met [eiser 3] en diens aannemer de woning ingegaan. Het is alleszins begrijpelijk dat het hof op grond van het rapport kennelijk heeft aangenomen dat de (als zodanig onbetwiste) toestemming voldeed aan de eis van een “informed consent”, door het hof in rov. 4.6 (in cassatie onbestreden) omschreven als een toestemming, gebaseerd op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek.
“De tweede keer was appellanten inmiddels bekend dat DRV dacht dat sprake was van een overtreding (…)”; zie het hiervoor onder 3.11 opgenomen citaat).
“Dit houdt in dat de betrokkene toestemming voor het binnentreden moet hebben gegeven, welke toestemming moet zijn gebaseerd op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek.” [20] ). Overigens vloeit een dergelijke eis evenmin voort uit de door het onderdeel genoemde rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep, waarin (in de bijzondere en niet met die van de onderhavige zaak te vergelijken context van die uitspraken) van belang wordt geacht, niet of de consequenties van het huisbezoek zijn medegedeeld (dat zal in het algemeen ook bezwaarlijk kunnen, omdat die consequenties doorgaans van de bevindingen van het huisbezoek afhankelijk zullen zijn), maar of mededeling is gedaan van de consequenties die een weigering van de gevraagde toestemming voor het binnengaan van de woning voor het recht op bijstand kan hebben.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
in hun hoger beroepheeft ontvangen, keert het zich kennelijk tegen het feit dat het hof, oordelend in het incidentele appel van de Gemeente, heeft nagelaten de juiste consequenties aan de exclusieve bevoegdheid van de bestuursrechter ter zake van de kosten van de bezwaarprocedure te verbinden. Daarbij geldt dat de eerste incidentele grief van de Gemeente (weergegeven in rov. 4.11) weliswaar ten betoge strekte dat de rechtbank zich ten onrechte bevoegd heeft verklaard van de vordering tot vergoeding van de kosten van de bezwaarprocedure kennis te nemen en dat de Gemeente in haar incidentele appel weliswaar heeft gevorderd dat het hof, na vernietiging van de vonnissen van 24 maart 2010 en 15 december 2010, zich met betrekking tot de vordering van [eiser] c.s. tot vergoeding van de (integrale) kosten van de bezwaarprocedure alsnog onbevoegd zal verklaren, maar dat impliceert naar mijn mening niet dat andere, aan de exclusieve bevoegdheid van de bestuursrechter te verbinden consequenties dan de gevorderde onbevoegdverklaring daardoor buiten de grenzen van de rechtsstrijd in het incidentele appel vielen. (Materiële) onbevoegdheid van de burgerlijke rechter kan leiden tot verschillende consequenties, die in de rechtspraak niet altijd strikt worden onderscheiden: (materiële) onbevoegdheid kan leiden tot een onbevoegdverklaring, maar ook tot een niet-ontvankelijkverklaring wegens het openstaan van een andere, met voldoende waarborgen omklede rechtsgang, alsmede tot een inhoudelijke ontzegging van de vordering, op de grond van, kort gezegd, formele rechtskracht van het daarmee bestreden besluit, als de daartegen openstaande, bestuursrechtelijke rechtsgang niet of niet met succes is benut. Voor de in de rechtspraak niet onveranderlijke grens tussen een onbevoegdverklaring en niet-ontvankelijkverklaring verwijs ik naar de ontwikkelingen met betrekking tot de door de burgerlijke rechter aan de (ruime) bevoegdheid van de ambtenarenrechter te verbinden consequenties. In het arrest
Changoe [21] heeft de Hoge Raad overwogen:
Wanneer een administratieve rechter bevoegd is van een geschil kennis te nemen, doet zulks in het algemeen niet af aan de bevoegdheid van de burgerlijke rechter op grond van art. 2 Wet Pro RO, met name niet aan zijn bevoegdheid met betrekking tot vorderingen uit onrechtmatige daad. Wel dient de eiser door de burgerlijke rechter niet ontvankelijk te worden verklaard, wanneer, kort gezegd, de administratieve rechter voldoende rechtsbescherming biedt (zie bijv. HR 25 nov. 1977, NJ 1978, 255). Een en ander leidt tot het uit een oogpunt van rechtsbescherming bevredigende en in een rechtsstaat passende resultaat dat de burger een zo volledig mogelijke rechtsbescherming geniet, nu de burgerlijke rechter, anders dan in een stelsel van uitsluitende bevoegdheid van de administratieve rechter, aanvullende rechtsbescherming kan bieden.
“in een stelsel van uitsluitende bevoegdheid van de administratieve rechter”. Ook de grens tussen niet-ontvankelijkheid en formele rechtskracht blijkt niet altijd eenvoudig te trekken. Alhoewel formele rechtskracht betekent dat een bepaald besluit door de burgerlijke rechter voor rechtmatig moet worden gehouden (en de zaak met inachtneming daarvan inhoudelijk moet worden afgedaan), wordt formele rechtskracht in de rechtspraak niet zelden met de ontvankelijkheid van de partij aan wie zij wordt tegengeworpen, in verband gebracht.
X/Staatde met de
objectum litis-leer strijdige bedoelingen van de Awb-wetgever welbewust en geheel in het algemeen, ook buiten de bijzondere context die in dat arrest aan de orde was, naast zich zou hebben neergelegd. Bij die stand van zaken ligt een onbevoegdverklaring het meest voor de hand.
uitsluitendebevoegdheid is. Een niet-ontvankelijkverklaring doet in die zin geen recht aan het feit dat de bestuursrechter
“bij uitsluiting”bevoegd is over de kosten van de bestuurlijke voorprocedure te oordelen.
Groningen/Raatgever [25] , welk besluit de justitiabele op grond van de aan art. 8:73 Awb Pro ten grondslag liggende keuzevrijheid kan negeren door zijn aanspraak aan de burgerlijke rechter (in plaats van het betrokken besluit aan de bestuursrechter) voor te leggen. De proceskostenregeling van de Awb heeft met art. 8:73 Awb Pro niets van doen; enige keuzevrijheid voor de justitiabele is daarmee door de wetgever (blijkens diens keuze voor een uitsluitende bevoegdheid van de bestuursrechter) ook niet beoogd. [eiser] c.s., die op zichzelf niet hebben bestreden dat zij eveneens de bestuursrechtelijke weg hadden kunnen bewandelen (repliek mrs. Sluysmans en De Graaff onder 7), hebben niets aangevoerd wat een uitzondering op de formele rechtskracht zou kunnen rechtvaardigen. Bij schriftelijke toelichting van de mrs. Sluysmans en De Graaff (onder 55) is niet meer gesteld dan dat het instellen van beroep bij de bestuursrechter niet voor de hand lag, nu het primaire besluit niet meer bestond en
“niet (valt) in te zien welk nut het zou hebben gehad om tegen de beslissing op bezwaar beroep in te stellen”. Welk nut een dergelijk beroep zou hebben gehad, valt echter wel degelijk in te zien: dat nut had gelegen kunnen zijn in het recupereren van het verschil tussen de werkelijke en de vergoede kosten van de bezwaarprocedure, welk verschil [eiser] c.s. (naast andere posten) wél een civiele procedure waard was.