Conclusie
Onderdeel Ivan het middel kan in al zijn onderdelen worden verworpen, nu die voortbouwen op tevergeefs voorgestelde klachten in de parallelle adoptiezaak. [2]
Onderdeel IIricht zich tegen rov. 5, eerste volzin, en rov. 6, en de daarop voortbouwende rov. 7 van de bestreden erkenningsbeschikking, waarin het hof tot uitgangspunt neemt dat nu vaststaat dat de man de verwekker van het kind is, hem in beginsel de mogelijkheid van erkenning niet kan worden onthouden, en dat op de moeder de plicht rust de feiten en omstandigheden te stellen waaruit kan worden afgeleid dat met de erkenning haar belangen bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind geschaad zullen worden. Het onderdeel (onder II.1 en II.1.1) betoogt dat het hof bij de beoordeling van genoemde belangen een onjuiste rechtsopvatting heeft gegeven ter zake van de verdeling van de stelplicht en de bewijslast. Volgens het middel is deze belangenafweging onbegrijpelijk, althans is het hof voorbijgegaan gegaan aan essentiële stellingen (onder II.2, II.2.1 en II.2.2). Onderdeel II.3 betreft een veegklacht.