Conclusie
- per maand over de periode van 1 augustus 2009 tot 1 januari 2010;
- per maand over de periode van 1 januari 2010 tot 1 februari 2010;
- per maand over de periode vanaf 1 februari 2010 tot 1 januari 2011;
- per maand over de periode vanaf 1 januari 2011 tot 1 september 2011;
- per maand vanaf 1 september 2011, vanaf 15 september 2011, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.
- van 1 augustus 2009 tot en met 31 januari 2010: € 649,18 per maand;
- van 1 februari 2010 tot en met maart 2010: € 700,82 per maand;
- van 1 april 2010 tot en met augustus 2010: € 612,51 per maand;
- van 1 september 2010 tot en met december 2010: € 793,67 per maand;
- vanaf 1 januari 2011: € 788,43 per maand.
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onder 9dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk heeft geoordeeld door de woonlasten die hoger zijn dan de woonkostencomponent die voortvloeit uit de Trema-normen respectievelijk de Wet studiefinanciering 2000 niet bij de berekening van de behoefte van de zoon in aanmerking te nemen. Daartoe voert het onderdeel, mede onder verwijzing naar het beroepschrift onder 12 en 13, aan dat in de onderhavige situatie sprake is van woonlasten van de in eigendom aan de man en de vrouw toebehorende woning waarvan verdeling in het kader van de boedelscheiding nog niet heeft plaatsgevonden, zodat de man (en met hem de zoon) als gevolg daarvan is genoodzaakt in de woning te wonen. Voor een berekening van de (aan de behoefte van de zoon toe te rekenen) hogere woonlasten verwijst het onderdeel in het bijzonder naar de producties 19 en 21 bij de brief aan het hof van 3 april 2012.
noodzakendie woning - tegen relatief te hoge kosten - te blijven bewonen. Het onderdeel verwijst niet naar vindplaatsen in de stukken waarin wordt uiteengezet (en werkt ook niet uit) dat en waarom de mede-eigendom van de (reeds in augustus 2009 door de vrouw verlaten) woning de man tot dusverre zou hebben belet en nog steeds zou beletten om (met de zoon) andere en meer met zijn inkomen in overeenstemming zijnde huisvesting te betrekken. Al om die reden kan de motiveringsklacht niet slagen.
“Vaste woonlasten per maand”) bevat een opsomming van de
totalewoonlasten van de man en de zoon (en van daarmee overigens geen verband houdende kosten van ongevallen- en ziektekostenverzekeringen), terwijl productie 21 (houdende een opgave van de maandelijkse kosten van de zoon) als post
“Wonen. Huurwaarde kamer?”een bedrag van € 100,- vermeldt. Het valt niet zonder meer in te zien waarom het hof in deze gegevens aanleiding had moeten zien te oordelen dat bijzondere omstandigheden tot een afwijking van de Trema-normen nopen.
“zodat de man (en met hem de jongmeerderjarige) als gevolg daarvan genoodzaakt is in de woning te wonen”). Bij die stand van zaken ligt het naar mijn mening voor de hand (thans) mogelijk bovenmatige woonlasten, voor zover die al onvermijdbaar zijn, eerder bij de bepaling van de draagkracht van de man dan bij de bepaling van de behoefte van de bij hem inwonende zoon te betrekken.
“Bijdrage overheid”), paragraaf 3.3 (
“Bijdrage ouders”) en paragraaf 3.4 (
“Bijdrage studerende”). De bijdrage van de overheid bestaat uit de basisbeurs (en de zogenaamde reisvoorziening), de veronderstelde ouderlijke bijdrage
“kan nooit meer bedragen dan de maximale aanvullende beurs voor een studerende”(art. 3.13 lid 1 Wet studiefinanciering 2000) en de bijdrage van de studerende omvat (naast de basis- en de aanvullende lening) het collegegeldkrediet, dat op aanvraag aan de student wordt toegekend (art. 16a Wet studiefinanciering 2000).
“De omvang van de rechtsstrijd”) heeft vastgesteld, heeft de vrouw in haar incidentele beroep de behoefte van de jongmeerderjarige aan de orde gesteld. Het stond het hof vrij die behoefte opnieuw te onderzoeken, zonder daarbij te zijn gebonden aan niet specifiek in hoger beroep bestreden veronderstellingen van de rechtbank met betrekking tot de relevantie van bepaalde normbedragen.
Verdeling eigen aandeel ouders naar rato van hun draagkracht
onder 14-16) naar een reeks van producties waaruit dit zou blijken. Zonder nadere motivering die ontbreekt valt, gelet op de inhoud van die producties, niet in te zien waarom het hof heeft gemeend dat er onvoldoende financiële gegevens van de vader in het geding zijn gebracht aangaande de geleende bedragen en welke gegevens dat dan hadden moeten zijn (
onderdeel onder 17). Naast bewijsstukken van leningen hebben de man en de zoon financiële stukken met betrekking tot de man overgelegd, waaronder aangiften IB en specificaties van inkomsten (onderdeel
onder 18-19). Voorts heeft de zoon meerdere malen gedurende de procedure aangegeven dat de vader sinds 2006 niet meer erin is geslaagd substantieel inkomen te verwerven (onderdeel
onder 20). Ook de rechtbank heeft overwogen dat de man al sinds 2007 geen inkomen uit zijn werkzaamheden als architect genereerde (beschikking van de rechtbank, p. 2 onder “
Ontvankelijkheid en ingangsdatum”; p. 4 onder
“Draagkracht man”; onderdeel
onder 20 respectievelijk 19). Het onderdeel betoogt dat het hof, gelet op al deze stukken en informatie, niet had mogen oordelen dat onvoldoende financiële gegevens van de man in het geding zijn gebracht en dat de man tenminste de helft van de kosten van de jongmeerderjarige kan dragen, althans dat dit oordeel, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet begrijpelijk is. De man heeft in de rechtbankprocedure waarbij hij ook zelf als procespartij optrad gemotiveerd het verweer gevoerd dat het hem aan draagkracht ontbreekt. Zonder nadere motivering is onbegrijpelijk waarom het hof aan dit verweer is voorbijgegaan (
onderdeel onder 21). Onbegrijpelijk is volgens het onderdeel voorts het oordeel dat, gelet op de hoge opleiding van de vader, niet valt in te zien dat hij geen verdiencapaciteit zou hebben. Het onderdeel wijst op de inspanningen van de man om inkomen te verwerven en op het feit dat de man bij het uiteengaan van de ouders al lange tijd (drie jaar) geen werk meer had. Volgens het onderdeel is een opleiding die 35 jaar geleden is gevolgd in samenhang met de leeftijd van de man en de omstandigheid dat hij de laatste drie jaar van de samenleving met de moeder niet heeft gewerkt, op zich niet voldoende om verdiencapaciteit aan te nemen (onderdeel
onder 22). Kennelijk is het hof veronderstellenderwijs van de draagkracht van de man uitgegaan en heeft het gemeend dat de man tenminste de helft van de kosten van de jongmeerderjarige kan dragen. Dit is echter niet te rijmen en ook innerlijk tegenstrijdig met rov. 9 waarin het hof voor de bepaling van de behoefte van de jongmeerderjarige van het door de vrouw gestelde netto gezinsinkomen van € 2.652,- (dat uitsluitend uit het salaris van de moeder bestond) is uitgegaan (onderdeel
onder 23). Volgens het onderdeel valt althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien waarom het hof niet van het ontbreken van draagkracht van de man is uitgegaan (onderdeel
onder 24) en was het inkomen van de vrouw voldoende om met ingang van 1 september 2011 in de door het hof becijferde behoefte van € 508,54 per maand te voorzien (onderdeel
onder 25).
“tenminste de helft van de kosten kan dragen van de jongmeerderjarige”impliceert dat de
draagkrachtvan de man (tenminste) de helft van de kosten van de zoon bedraagt, brengt dat nog niet met zich dat het
aandeelvan de man ook de helft van die kosten dient te zijn. Met welk aandeel elk van beide ouders (“naar draagkracht”) in de kosten van de zoon dient bij te dragen, zal in beginsel aan de hand van een vergelijking van hun draagkracht moeten worden bepaald. Dat vergt een nauwkeuriger vaststelling dan dat de man tenminste de helft van de kosten van de zoon kan dragen. Het bestreden oordeel acht ik ook daarom onvoldoende gemotiveerd, omdat het geen enkel inzicht biedt in de lasten die het hof in zijn kennelijke schatting van de draagkracht van de man heeft verdisconteerd. Dat, zoals het hof heeft overwogen, niet, dan wel onvoldoende met stukken zou zijn onderbouwd dat de man de afgelopen periode van geleende bedragen heeft geleefd, betekent nog niet dat er geen schulden zijn die bij de bepaling van de draagkracht dienen te worden betrokken. Overigens bevinden zich bij de stukken verschillende gedetailleerde overzichten van de (volgens de man en de zoon) in aanmerking te nemen lasten van de man, ook die welke niet met de gestelde schulden samenhangen. In zoverre acht ik de klachten van het onderdeel gegrond.
“De vader heeft bovendien een hoge opleiding genoten. Niet is in te zien dat hij geen verdiencapaciteit zou hebben.”), kennelijk niet louter het oog heeft gehad op hetgeen de man in zijn beroep van architect verdient (of zou kunnen verdienen). Dat relativeert de betekenis van de stukken en de stellingen met betrekking tot de vergeefse pogingen van de man om binnen zijn vakgebied opdrachten te verwerven. Een tegenstrijdigheid zoals door het onderdeel bedoeld in verband met het slechts door het inkomen van de vrouw bepaalde gezinsinkomen tijdens de (laatste jaren van) de samenleving van de man en de vrouw doet zich ten slotte evenmin voor. Voor de aan de mate van
welstandgedurende de periode van samenleving van de ouders gerelateerde behoefte van de zoon is inderdaad het
feitelijkgenoten gezinsinkomen beslissend; voor de draagkracht van de man ter bepaling van hetgeen hij in verhouding tot de vrouw in de kosten van de zoon dient bij te dragen, komt het daarentegen niet (louter) aan op het inkomen dat hij zich feitelijk verwerft, maar (ook) op het inkomen dat hij zich kan verwerven. In zoverre slagen de klachten van het onderdeel niet.
“destijds-herstelbaar”worden behandeld, maar dat geldt volgens het onderdeel niet in een geval als het onderhavige, waarin de zoon de man niet aanspreekt tot betaling van alimentatie, maar de verdiencapaciteit van de man louter van belang is voor de vraag hoe de kosten van de zoon naar rato van hun draagkracht over beide ouders moeten worden verdeeld. Volgens het onderdeel heeft het hof van een onjuiste rechtsopvatting blijk gegeven, althans zijn oordeel niet naar behoren gemotiveerd, door in dit geval met terugwerkende kracht van een herstelbaar inkomensverlies uit te gaan, temeer daar de man al drie jaar voor de beëindiging van de samenleving geen inkomen meer had, en een herstelbaar inkomensverlies, ook over die periode, met zich zou hebben gebracht dat het door het hof in aanmerking genomen gezinsinkomen met het fictieve inkomen van de man had moeten worden vermeerderd en aldus tot een grotere behoefte van de zoon had geleid.
“fictief inkomen”baseert. Anders dan het onderdeel veronderstelt, is er echter geen enkele reden om aan te nemen dat dit laatste slechts zou gelden met betrekking tot de vaststelling van de draagkracht van de tot onderhoud aangesproken alimentatieplichtige en niet (mede) met betrekking tot de vaststelling van de draagkracht van de niet-aangesproken maar eveneens onderhoudsplichtige ouder, welke vaststelling ertoe strekt mogelijk te maken dat de kosten van de alimentatiegerechtigde die bij laatstgenoemde ouder kost en inwoning heeft genoten, over beide ouders worden verdeeld. De (directe) gevolgen van eerstbedoelde vaststelling zijn niet minder ingrijpend dan die van laatstbedoelde vaststelling; veeleer het tegendeel is het geval.
“fictief inkomen”van de man is gebaseerd enerzijds, en de vaststelling van de behoefte van de zoon aan de hand van het daadwerkelijke en slechts op het inkomen van de vrouw gebaseerde gezinsinkomen van beide ouders vóór hun uiteengaan anderzijds; ik verwijs naar hetgeen hiervóór (onder 2.12) reeds aan de orde kwam.
onder 29) dat uit de door de vrouw overgelegde salarisspecificaties blijkt dat zij het partnerpluspensioen heeft opgezegd, zodat in ieder geval vanaf april 2011 dat bedrag niet ten koste van haar draagkracht mag gaan. Voorts voert het onderdeel (
onder 29) aan dat het bedoelde pensioen is bedoeld als pensioenvoorziening ten behoeve van de partner van de vrouw, dat de vrouw de man echter nimmer als partner bij het pensioenfonds heeft aangemeld en dat, nu de vrouw geen partner heeft, het pensioen niet nodig is en de kosten daarvan niet op de bij de vaststelling van de alimentatieplicht jegens de zoon in acht te nemen draagkracht van de vrouw zouden mogen drukken. Het hof heeft dit een en ander volgens het onderdeel miskend.
“De rechtbank gaat ervan uit dat de man deze betalingen zal overnemen: de premies betaald na het einde van de samenleving dienen voor rekening van de man te komen.”). In rov. 4.37 wordt vervolgens als slotsom nog vermeld dat partijen ten behoeve van deze verrekening zich nog per akte over de hoogte van deze premies dienen uit te laten. Dat is ook gebeurd. In de boedelscheidingszaak wordt de vrouw volledig gecompenseerd voor de nog van haar rekening afgeschreven premies na het einde van de samenleving. Volgens het onderdeel had het hof bij de bepaling van de draagkracht van de vrouw met die premies geen rekening mogen houden en is onbegrijpelijk waarom het dit wel heeft gedaan en ter zake niet het oordeel van de rechtbank in rov. 8 van de beschikking van 15 september 2011 (kennelijk is bedoeld het gestelde op p. 6 onder
“Ad 8 Overige kosten”van die beschikking; LK) heeft gevolgd. Volgens het onderdeel heeft de man ter zitting van het hof van 13 april 2012
“in het hoger beroep nog bankafschriften getoond waaruit blijkt dat hij deze betalingen vervolgens heeft voldaan (…).”
“(h)ij(de man; LK)
bankafschriften bij zich (heeft) om aan te tonen dat hij de premie heeft voldaan.”De advocaat van de moeder heeft (blijkens het gestelde op p. 4 bezwaar gemaakt tegen het alsnog overleggen van de bankafschriften omdat dit
“eerder (had) kunnen worden gedaan”, welk bezwaar het hof kennelijk heeft gehonoreerd. Bij die stand van zaken acht ik het oordeel van het hof, dat kennelijk doorslaggevend heeft geacht dat uit de door de vrouw bij het verweerschrift in hoger beroep overgelegde bankafschriften blijkt dat zij de premie voor de levensverzekering heeft voldaan van augustus 2010 tot en met december 2011, onvoldoende gemotiveerd. De zoon heeft de betrokken incidentele grief van de vrouw gedocumenteerd bestreden. De overgelegde brieven in verband met de gestelde storneringen van de verzekeraar (productie 12 bij het verweerschrift in het incidentele appel) roepen inderdaad twijfel op over de betekenis van het door de vrouw als productie 3 bij het verweerschrift in hoger beroep tevens incidenteel appel overgelegde overzicht van betalingen aan de verzekeraar, welk overzicht overigens slechts de
afschrijvingen van de rekening van de vrouw naar de betrokken tegenrekening betreft. Om een voorbeeld te noemen: de door de zoon overgelegde brief van de verzekeraar van 4 juni 2011 betreft de premie met als vervaldatum 1 mei 2011. Volgens het overzicht van de vrouw zou die premie op 4 mei 2011 zijn betaald. Waar de verzekeraar een maand later klaagt dat het betreffende bedrag niet kon worden geïncasseerd, omdat
“U (…) niet accoord (gaat) met de afschrijving”, is dat minst genomen een sterke aanwijzing voor stornering, hetgeen op zichzelf reeds impliceert dat het betreffende bedrag
nietten laste van de vrouw is gekomen. Als sluitstuk op het verweer van de zoon hadden de door het hof kennelijk geweigerde bankafschriften kunnen dienen, maar, wat overigens van die weigering zij, ook zonder die bankafschriften had de zoon voldoende gesteld en aannemelijk gemaakt dat niet, althans niet zonder nadere motivering, ervan kan worden uitgegaan dat de bedoelde premies de draagkracht van de vrouw verminderen.