De zaak betreft een cassatieberoep van de Staat tegen een vonnis van de rechtbank Roermond waarin de schadeloosstelling voor vervroegde onteigening van landbouwgrond in de gemeente Bergen (Limburg) is vastgesteld. De onteigening vond plaats voor de aanleg van de Hoogwatergeul Well-Aijen, inclusief de winning van vrijkomende bodembestanddelen zoals zand en grind.
De kern van het geschil betreft de vaststelling van de werkelijke waarde van de onteigende grond. De rechtbank bepaalde deze waarde op basis van de agrarische waarde met een toeslag van € 5,50 per m2 vanwege de winbare bodembestanddelen. De Staat betwist de toepassing van de residuele methode bij de waardebepaling en voert klachten aan over de gebruikte indexatie en de vergelijking met andere projecten.
De Hoge Raad verwijst in zijn conclusie naar een soortgelijke zaak (nr. 12/03754) waarin dezelfde klachten zijn afgewezen en concludeert dat de cassatieklachten in deze zaak eveneens niet kunnen slagen. De onteigende partij is in cassatie niet verschenen, waardoor de conclusie tot verwerping van het beroep wordt gegeven. De schadeloosstelling blijft daarmee vastgesteld op € 166.650.