Conclusie
4.Het eerste middel
waiver, als een afstand van het ondervragingsrecht in de betekenis die daaraan in de jurisprudentie van het EHRM toekomt. Art. 288 lid 3 Sv Pro bepaalt dat met instemming van onder meer de verdachte van een hernieuwde oproeping van een niet verschenen getuige kan worden afgezien. Die instemming behoeft niet te berusten op een afstand van het ondervragingsrecht, maar kan ook voortspruiten uit realiteitszin. Ons recht verlangt niet dat de verdediging, in gevallen waarin de getuige is overleden of onvindbaar blijkt, op straffe van verlies van de aanspraken die voortvloeien uit het ondervragingsrecht, persisteert bij het verzoek die getuige op te roepen. Dat de verdediging ermee instemt dat van (hernieuwde) oproeping wordt afgezien, kan dus ook betekenen dat zij erkent dat het feitelijk onmogelijk is om het ondervragingsrecht uit te oefenen en dat de justitiële autoriteiten dus niet zijn tekortgeschoten in hun inspanningsverplichting die uitoefening daadwerkelijk mogelijk te maken. In die beperkte zin zal het Hof de afstandsverklaring in dit geval hebben begrepen.
verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof, onder meer inhoudende, zakelijk weergegeven, als volgt.
verklaring van [betrokkene 1], afgelegd op 1 januari 2012
(blz. 98 en 99):
verklaring van verdachte (blz. 67 t/m 68):
als relaas van de verbalisant [verbalisant] (blz.149):
(blz. 153).
als verklaring van Timmers voornoemd (blz. 105):