Verzoekers tot cassatie werden op 31 mei 2012 toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling. Later, op 24 juni 2013, werd deze regeling tussentijds beëindigd door de rechtbank Zeeland-West-Brabant wegens het bekend worden van feiten en omstandigheden die reeds bestonden bij de toelating en die, indien bekend, tot afwijzing van het verzoek hadden geleid.
Het hof ’s-Hertogenbosch bevestigde deze beëindiging bij arrest van 19 september 2013. Verzoekers kwamen daarop tijdig in cassatie bij de Hoge Raad. De kern van het geschil betrof twee punten: ten eerste de niet-vermelde rekening-courantschuld van de BV van verzoekster 2 aan de eenmanszaak van verzoeker 1, en ten tweede de niet of onvoldoende gemelde verdenking en veroordeling van verzoekster 2 wegens valsheid in geschrifte in een strafzaak.
De Hoge Raad oordeelde dat uit de 285 Fw-verklaring onvoldoende blijkt dat de rekening-courantschuld te goeder trouw was gemeld. Ook werd geoordeeld dat de verdenking van belastingfraude door verzoekster 2 niet of onvoldoende duidelijk was gemeld bij de toelatingszitting, terwijl dit een reden tot afwijzing van het verzoek zou zijn geweest. De cassatiemiddelen werden verworpen, waarmee de tussentijdse beëindiging van de schuldsaneringsregeling werd bevestigd.