ECLI:NL:PHR:2013:2274

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 november 2013
Publicatiedatum
24 december 2013
Zaaknummer
13/03382
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 30 lid 4 Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigenArt. 34 WAMArt. 472 tweede lid Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verklaart aanvraag tot herziening gegrond wegens nieuwe verzekeringsverklaring

De aanvrager werd door de Rechtbank Breda veroordeeld wegens overtreding van artikel 30 lid 4 van Pro de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) op 18 juli 2009. Hij kreeg een gevangenisstraf van één week en een rijontzegging van vier maanden opgelegd. Het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch verklaarde hem niet-ontvankelijk in hoger beroep vanwege te late indiening, en de Hoge Raad bevestigde dit in cassatie wegens het niet tijdig indienen van cassatiemiddelen.

De aanvraag tot herziening werd ingediend met een nieuwe verklaring ex art. 34 WAM Pro, afgegeven door Het Nederlands Volmachtbedrijf, waarin werd bevestigd dat het motorrijtuig op de pleegdatum verzekerd was volgens de wettelijke eisen. Deze verklaring was pas na het vonnis van de kantonrechter afgegeven.

De Hoge Raad oordeelt dat deze nieuwe verklaring het ernstige vermoeden wekt dat de kantonrechter, indien hiermee bekend, de aanvrager zou hebben vrijgesproken. Daarom verklaart de Hoge Raad de aanvraag tot herziening gegrond, beveelt zo nodig opschorting van de tenuitvoerlegging en verwijst de zaak naar een hof dat nog niet over de zaak heeft geoordeeld voor een nieuwe berechting volgens art. 472, tweede lid, Sv.

Uitkomst: De Hoge Raad verklaart de aanvraag tot herziening gegrond en verwijst de zaak naar een gerechtshof voor hernieuwde berechting.

Conclusie

Nr. 13/03382 H
Zitting: 12 november 2012
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[aanvrager]
1. Namens de aanvrager heeft mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat te Goirle, een aanvraag tot herziening van een in kracht van gewijsde gegaan vonnis van Rechtbank Breda, sector kanton Tilburg, d.d. 26 oktober 2010 ingediend. Bij dat vonnis is de aanvrager wegens “overtreding van het bepaalde in artikel 30 lid 4 Wet Pro aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen” gepleegd op 18 juli 2009 veroordeeld tot hechtenis voor de duur van één week, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden. Daarnaast is de tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde straf gelast. De verdachte is, wegens het te laat indienen daarvan, door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch bij arrest van 26 maart 2012 niet-ontvankelijk verklaard in zijn tegen voormeld vonnis ingestelde hoger beroep. De Hoge Raad heeft bij arrest van 23 april 2013 de verdachte vervolgens niet-ontvankelijk verklaard in zijn tegen het arrest van het Hof ingestelde cassatieberoep, omdat er niet binnen de bij de wet gestelde termijn door een raadsman een schriftuur houdende middelen van cassatie is ingekomen.
2. De aanvraag berust op de stelling dat de betreffende auto op de pleegdatum wel verzekerd was. Ter onderbouwing van deze stelling is bij de aanvraag een verklaring ex art. 34 WAM Pro gevoegd, afgegeven door Het Nederlands Volmachtbedrijf d.d. 26 januari 2012, inhoudende dat voor het motorrijtuig voorzien van het kenteken [AA-00-BB] op 18 juli 2009 een verzekering van kracht was, welke aan de op die datum door of krachtens de WAM gestelde eisen voldeed.
3. Voornoemde verklaring, tot stand gekomen en afgegeven nadat de kantonrechter uitspraak had gedaan, doet, in aanmerking genomen dat uit de tenlastelegging blijkt dat het in deze zaak draait om een motorrijtuig met kenteken [AA-00-BB], het ernstige vermoeden ontstaan dat de kantonrechter, ware hij daarmee bekend geweest, de aanvrager zou hebben vrijgesproken van het hem tenlastegelegde.
4. Gezien het voorgaande strekt deze conclusie ertoe dat de Hoge Raad de aanvraag gegrond zal verklaren, zoveel nodig de opschorting of schorsing van de tenuitvoerlegging van het gewijsde zal bevelen en de zaak zal verwijzen naar een Gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaak op de voet van art. 472, tweede lid, Sv opnieuw zal worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG