AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beoordeling informatieplicht over recht op rechtsbijstand bij mishandeling
In deze zaak bevestigde het Gerechtshof Den Haag het vonnis van de rechtbank waarin de verdachte werd veroordeeld tot een werkstraf wegens meermalen gepleegde mishandeling. De verdachte stelde in cassatie dat het hof hem niet had gewezen op zijn recht om zich ter zitting door een advocaat te laten bijstaan. Tevens werd betoogd dat hij niet ondubbelzinnig afstand had gedaan van rechtsbijstand.
De Hoge Raad oordeelde dat het middel faalt omdat de dagvaarding de verdachte reeds informeerde over zijn recht op rechtsbijstand, conform de eisen van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten (IVBPR). Het hof was niet verplicht om zelf op dit recht te wijzen tijdens de zitting. Het beroep op het Hoogerheide-arrest werd verworpen omdat dat arrest niet van toepassing is op de onderhavige situatie.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad was dat geen ambtshalve gronden aanwezig waren om de beslissing te vernietigen en het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen; het hof heeft voldaan aan de informatieplicht over het recht op rechtsbijstand.
Conclusie
Mr Jörg
Nr. 12/01142
Conclusie inzake:
Zitting 8 oktober 2013
[verdachte]
1. Bij arrest van 25 november 2011 heeft het Gerechtshof te Den Haag met verbetering van gronden een vonnis van de rechtbank Den Haag bevestigd, waarbij de verdachte wegens meermalen gepleegde mishandeling werd veroordeeld tot een werkstraf van 60 uur, waarvan 30 uur voorwaardelijk.
2. Namens de verdachte heeft mr. W. Römelingh, advocaat te ‘s-Gravenhage, bij schriftuur een middel van cassatie voorgedragen.
3. Het middel bevat de klacht dat het Hof de verdachte niet heeft gewezen op het recht zich ter zitting te laten bijstaan door een advocaat. De tweede, in het middel verwoorde klacht inhoudende dat de verdachte niet ondubbelzinnig, desbewust en vrijwillig afstand heeft gedaan van rechtsbijstand betreft geen handelen van de rechter waartegen in cassatie kan worden opgekomen op grond van art. 78 WetPro RO.
4. In het bijzonder wordt een beroep gedaan op art. 14, derde lid sub d, IVBPR en het zogenoemde Hoogerheidearrest (HR 17 november 2009, ECLI:NL:HR:2009: BI2315, NJ 2010/143). Dit laatste arrest is in het geheel niet toepasselijk aangezien het daarin ging om een verdachte die juist niet door een advocaat wilde worden verdedigd.
5. De tekst van art. 14, derde lid sub d, IVBPR luidt:
"Bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft een ieder, in volle gelijkheid, recht op de volgende minimumgaranties: (…) (d)(…) de bijstand te hebben van een raadsman naar eigen keuze; ingeval hij geen rechtsbijstand heeft, van het recht daarop in kennis te worden gesteld; rechtsbijstand toegewezen te krijgen, indien het belang van de rechtspraak dit eist, en zonder dat daarvoor betaling van hem kan worden verlangd, indien hij niet over voldoende middelen beschikt;"
6. Het middel is gedoemd te mislukken aangezien op de achterzijde van de dagvaarding de volgende standaardtekst voorkomt:
"2. Bijstand van een advocaatU heeft recht op rechtsbijstand (art. 40 evPro. Wetboek van strafvordering). Als u nog geen advocaat hebt, kunt u om toevoeging van een advocaat vragen bij het Juridisch Loket (telefoonnummer 0900-8020). Als u gedetineerd bent, wordt u een advocaat toegewezen."
7. Aldus is voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in het IVBPR. Dat het Hof zelf op dat recht moet wijzen is een eis die het recht niet kent.
8. Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
9. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden