Conclusie
“medeplegen van doodslag”veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek als bedoeld in art. 27 Sr Pro.
Parket bij de Hoge Raad
De verdachte is door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van doodslag. Tegen dit arrest heeft de verdachte beroep in cassatie ingesteld. Echter, namens de verdachte is geen schriftuur houdende middelen van cassatie tijdig ingediend door een raadsman bij de Hoge Raad.
Volgens artikel 437, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moet een raadsman binnen een bepaalde termijn een schriftuur met middelen van cassatie indienen om ontvankelijk te zijn in het cassatieberoep. Deze termijn is niet nageleefd, waardoor het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat de verdachte niet-ontvankelijk wordt verklaard in zijn cassatieberoep. Hierdoor blijft het arrest van het gerechtshof ongewijzigd en wordt de straf van twaalf jaar gevangenisstraf gehandhaafd.
Uitkomst: Verdachte wordt niet-ontvankelijk verklaard in cassatieberoep wegens niet tijdig indienen van middelen van cassatie.