In deze zaak stond de vraag centraal of het Hof ten onrechte had bewezen verklaard dat verdachte en/of zijn mededaders personen hadden benaderd om bedrijfspanden ter beschikking te stellen voor de ontvangst en opslag van handelshoeveelheden cocaïne. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof voldoende wettige bewijsmiddelen had aangeduid en dat de bewezenverklaring niet onbegrijpelijk was.
Het bewijs bestond uit observaties, telefoongesprekken, e-mails, faxen en internettaps die een verband legden tussen verdachte, medeverdachten en de betrokken bedrijfspanden. Het Hof concludeerde dat de gebruikte versluierde taal in de communicatie moest worden begrepen in de context van de invoer van cocaïne.
Daarnaast werd geconstateerd dat de redelijke termijn voor de behandeling van het cassatieberoep was overschreden, wat volgens vaste rechtspraak leidt tot strafvermindering. De Hoge Raad vernietigde daarom het arrest voor zover het de strafhoogte betreft en stelde de strafvermindering vast, terwijl het overige beroep werd verworpen.