Conclusie
middel, gelezen in samenhang met de toelichting daarop, klaagt dat het Hof de in de onder 1 primair in de bewezenverklaring omschreven handelingen van verzoeker ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd heeft gekwalificeerd als “met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd”. In het bijzonder klaagt de steller van het middel dat het Hof niet tot de door hem gegeven kwalificatie had kunnen komen nu de aan verzoeker verweten gedraging enkel een tongzoen betreft en de door de Hoge Raad aan art. 242 Sr Pro gegeven uitleg (LJN BZ2653) ook geldt voor de in de onderhavige zaak tenlastegelegde artikelen 245 en (subsidiair) 247 Sr.
ondergaan van handelingen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam” in de zin van art. 245 Sr Pro.
"Dat strookt ook met de ratio van die bepaling, te weten de bescherming van de (seksuele) integriteit van het lichaam. Ook ogenschijnlijk minder ernstige vormen van binnendringen van het lichaam met een seksuele strekking kunnen immers als een ingrijpende aantasting van de lichamelijke integriteit worden ervaren en kunnen even kwetsend zijn als gedwongen geslachtsgemeenschap. Gelet op de aldus door de wetgever beoogde reikwijdte van art. 242 Sr Pro kan de toepasselijkheid van die bepaling dan ook niet afhankelijk worden gesteld van de wijze waarop het lichaam is binnengedrongen en de aard en de ernst daarvan, nog daargelaten dat een dergelijke differentiatie op gespannen voet zou staan met de eisen die vanuit een oogpunt van rechtszekerheid aan de afgrenzing van de desbetreffende strafbepaling moeten worden gesteld."
Ten slotte mag worden aangenomen dat de vermelding "verkrachting" op het strafblad van een veroordeelde ernstiger maatschappelijke repercussies heeft dan de vermelding van een minder zwaar beladen benaming.
gekwalificeerdals verkrachting.