Conclusie
3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in – zakelijk weergegeven - (blz. 9 e.v.):
Bewijsoverweging
Dat verdachte rechtsgeldig gebruik heeft gemaakt van een retentierecht is niet aannemelijk geworden. Het hof verwerpt het verweer.”
Parket bij de Hoge Raad
De zaak betreft een verhuurder die goederen van een huurder heeft meegenomen uit een gehuurde woning nadat hij het slot had vervangen en de huurder de toegang had ontzegd. De huurder stelde dat de verhuurder handelde onder het mom van een recht van retentie vanwege een huurachterstand.
Het hof oordeelde dat de verhuurder zich wederrechtelijk de heerschappij over de goederen had verschaft met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening, ook al was het doel om druk uit te oefenen voor betaling. De Hoge Raad bevestigt dit oordeel en wijst het cassatiemiddel af dat stelde dat het oogmerk niet uit de bewijsmiddelen bleek.
De Hoge Raad benadrukt dat het tijdelijk als heer en meester beschikken over andermans goederen als toe-eigening kan gelden, ook als het om een drukmiddel gaat. Het ontbreken van een rechtsgeldig retentierecht en het gebruik van een valse sleutel maken het handelen wederrechtelijk. De civielrechtelijke aard van het geschil sluit strafrechtelijke vervolging niet uit. Het middel faalt en het arrest van het hof blijft in stand.
Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van de verhuurder voor wederrechtelijke toe-eigening ondanks het beroep op retentierecht.