ECLI:NL:PHR:2013:1303

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2013
Publicatiedatum
19 november 2013
Zaaknummer
13/00207
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 402 Sv ArubaArt. 43 Sv ArubaArt. 365a SvArt. 359 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt geldigheid vonnis ondanks late aanvulling bewijsmiddelen in Antilliaanse zaak

In deze zaak heeft het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba verdachte veroordeeld tot zeven jaar gevangenisstraf wegens meerdere feiten in strijd met de Landsverordening verdovende middelen en deelname aan een criminele organisatie.

Verdachte stelde cassatieberoep in met twee middelen. Het eerste middel klaagde dat het vonnis niet binnen de wettelijke termijn van vier maanden na de einduitspraak was aangevuld met bewijsmiddelen zoals voorgeschreven in art. 402, zevende lid, Sv Aruba, en dat dit tot nietigheid van het vonnis zou moeten leiden. De Hoge Raad oordeelde dat de wetsgeschiedenis en redelijke uitleg van art. 402 Sv Pro Aruba nietigheid slechts beogen bij het niet aanvullen van bewijsmiddelen in de voorgeschreven gevallen, maar niet voor het overschrijden van de termijn van vier maanden. Dit middel faalde daarom.

Het tweede middel betrof de afwijzing door het Hof van het verzoek van de verdediging om een afschrift van het vonnis tegen een medeverdachte te verkrijgen. De Hoge Raad stelde vast dat het Hof dit verzoek niet als een formeel verzoek op grond van art. 43 Sv Pro Aruba heeft opgevat en dat het Hof terecht het verzoek afwees omdat het vonnis niet tot het dossier behoorde en er privacyoverwegingen speelden.

De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep en bevestigde daarmee de geldigheid van het vonnis en de afwijzing van het verzoek om het vonnis van de medeverdachte. De uitspraak verduidelijkt de toepassing van art. 402 Sv Pro Aruba en de procedure rond het verkrijgen van vonnissen in strafzaken met meerdere verdachten.

Uitkomst: Het beroep van verdachte wordt verworpen; het vonnis blijft geldig ondanks late aanvulling bewijsmiddelen.

Conclusie

Nr. 13/00207 A
Zitting: 24 september 2013 (bij vervroeging)
Mr. Vegter
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba heeft bij vonnis van 5 juli 2012 de verdachte wegens 1. “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder Pro A van de Landsverordening verdovende middelen”, 2. “opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder Pro C van de Landsverordening verdovende middelen”, 3. “opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 lid 1 onder Pro C van de landsverordening verdovende middelen”, 4. “het deelnamen aan een criminele organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven” en 5. “opzettelijk handelen in strijd met artikel 4 lid 1 onder Pro B van de Landsverordening verdovende middelen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren, met aftrek van de tijd in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht.
2. De verdachte heeft beroep in cassatie ingesteld. Namens hem heeft mr. G. Spong, advocaat te Amsterdam, bij schriftuur en aanvullende schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelklaagt dat het bestreden vonnis aan nietigheid leidt, nu het niet binnen vier maanden na de einduitspraak op de voet van art. 402, zevende lid, Sv Aruba met bewijsmiddelen is aangevuld.
4. Art. 402 (nieuw) Sv Aruba [1] luidt als volgt:
“1. Het vonnis bevat het tenlastegelegde alsmede de vordering van de officier van justitie.
2. De beslissingen vermeld in de artikelen 393 en 401, tweede en derde lid, zijn met redenen omkleed. Het vonnis geeft, indien de beslissing afwijkt van door de verdachte dan wel door de officier van justitie uitdrukkelijk onderbouwde standpunten, in het bijzonder de reden op die daartoe hebben geleid.
3. De beslissing dat het feit door de verdachte is begaan, moet steunen op de inhoud van in het vonnis opgenomen bewijsmiddelen, houdende daartoe redengevende feiten of omstandigheden.
4. het vonnis geeft in het bijzonder de redenen op, die de straf hebben bepaald of tot de maatregel hebben geleid.
5. Bij de oplegging van een straf of maatregel die vrijheidsontneming meebrengt, geeft het vonnis in het bijzonder de redenen op die tot de keuze van deze strafsoort, dan wel tot deze soort maatregel hebben geleid. Het vonnis geeft voorts zoveel mogelijk de omstandigheden aan, waarop bij de vaststelling van de duur van de straf is gelet.
6. Indien een zwaardere straf wordt opgelegd dan de procureur-generaal heeft gevorderd, dan wel een straf onvoorwaardelijk wordt opgelegd die vrijheidsontneming van langere duur meebrengt dan de procureur-generaal heeft gevorderd, geeft het vonnis steeds in het bijzonder de redenen op die daartoe hebben geleid. Hetzelfde geldt ingeval het Hof een zwaardere straf of maatregel oplegt dan de rechter in eerste aanleg heeft opgelegd.
7. Het vonnis wordt binnen vier maanden na de einduitspraak aangevuld met de in het derde lid bedoelde bewijsmiddelen indien de verdachte een rechtsmiddel heeft ingesteld dan wel indien de verdachte of diens raadsman daarom verzoekt of de procureur-generaal dit vordert.
8. Behoudens het gestelde in het derde lid geschiedt alles op straffe van nietigheid.”
5. De toelichting bij art. 402 (nieuw) Sv luidt als volgt: [2]
“De voorgestelde wijziging is het gevolg van een uitspraak van de Hoge Raad der Nederlanden dd. 13 juli 2010 (LJN BJ8669), waarin vastgehouden werd aan de strikte tekst van artikel 402. Een vonnis bevatte tot dan toe op het moment dat de zaak werd ingezonden naar de Hoge Raad wel de bewijsmiddelen, maar die ontbraken veelal op de dag van de uitspraak. Ook in onze regio werd gebruik gemaakt van de in Nederland inmiddels gelegaliseerde praktijk om de bewijsmiddelen eerste toe te voegen aan het vonnis nadat eventueel hoger beroep of cassatie werd ingesteld. Een dergelijke praktijk bespaart veel werk en dus ook veel geld. Met de voorgestelde wijziging wordt ook hier in die praktijk gelegaliseerd. Los van het instellen van een rechtsmiddel dient het vonnis eveneens aangevuld te worden met de bewijsmiddelen indien de verdediging of vervolging dat verzoekt c.q. vordert.”
6. Uit de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis blijkt overduidelijk dat met de wijziging van art. 402 Sv Pro Aruba beoogd is aansluiting te zoeken bij de Nederlandse regelgeving inzake de mogelijkheid tot het wijzen van een verkort vonnis (art. 365a Sv). Gelet op het feit dat er binnen de Nederlandse regelgeving op grond van art. 365a Sv jo art. 359, derde en achtste lid, Sv nietigheid staat op het niet aanvullen van een verkort vonnis met de bewijsmiddelen in de gevallen waarin dit is voorgeschreven, doch er geen nietigheid is gesteld op de in art. 365a, derde lid, Sv genoemde termijnen waarbinnen zulks dient te geschieden, brengt redelijke wetsuitleg van art. 402, achtste lid, Sv Aruba met zich dat slechts bedoeld is nietigheid te stellen op het in voorgeschreven gevallen niet aanvullen van het vonnis met de bewijsmiddelen als bedoeld in het derde lid, doch dat deze nietigheid zich niet uitstrekt over de in het zevende lid bepaalde termijn van vier maanden na de einduitspraak waarbinnen het vonnis met de bewijsmiddelen als bedeld in het derde lid moet zijn aangevuld.
7. Het middel, dat niet klaagt over het feit dat het bestreden vonnis niet met bewijsmiddelen is aangevuld, doch enkel klaagt dat het bestreden vonnis aan nietigheid leidt nu dit niet binnen de termijn genoemd in art. 402, zevende lid, Sv Aruba, met bewijsmiddelen is aangevuld, faalt dan ook.
8. Het
tweede middelklaagt over de afwijzing door het Hof van het verzoek van de verdediging tot het bekomen van een afschrift van het vonnis gewezen in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte].
9. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 juni 2012 houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel van belang, het volgende in:

“dossierDe raadsman merkt op dat hij getracht heeft om het vonnis in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] te verkrijgen, maar dat het niet is gelukt. De voorzitter merkt op dat het afzonderlijke zaken betreft en dat bedoeld vonnis geen deel uitmaakt van het onderhavige dossier. De raadsman merkt op dat hij een afschrift van het vonnis wil.

De
procureur-generaal, door de voorzitter in de gelegenheid gesteld om te reageren, merkt -zakelijk weergegeven- het volgende op:
Het zijn verschillende verdachten. Het gerecht in eerste aanleg heeft terecht voor elke verdachte een afzonderlijk vonnis gewezen. Deze raadsman heeft zich alleen voor deze verdachte gesteld, dus heeft alleen het vonnis in de zaak tegen deze verdachte gekregen. Uitspraken zijn openbaar, maar het verstrekken van […] vonnissen in de zaken van anderen is een ander verhaal. Ik verzet me daartegen. Ik heb het vonnis wel bij mij.
De
raadsmanmerkt -zakelijk weergegeven- het volgende op:
Ik begrijp de bezwaren van de procureur-generaal niet. In dat vonnis komt onder meer de criminele organisatie aan de orde waarvan deelname ook aan mijn cliënt wordt verweten. Ik acht het van belang om te weten wat daarover is overwogen en wat daaraan ten grondslag ligt.
De
procureur-generaalmerkt -zakelijk weergegeven- het volgende op:
De raadsman moet uitgaan van het dossier zoals dat thans voor ons ligt. Er zijn inderdaad een aantal feiten als medeplegen ten laste gelegd. Maar de raadsman heeft zich niet gesteld voor de medeverdachte en hoeft daarom ook niet het vonnis in diens zaak te krijgen.

beraad

Het Hof trekt zich terug voor beraad in deze

hervatting

De voorzitter hervat het onderzoek ter terechtzitting en deelt vervolgens de beslissing van het Hof mede:
Er bestaat een procedure voor het verkrijgen van vonnissen in zaken waarin met [bedoeld zal zijn: men (PV)] niet persoonlijk is betrokken. Bij een dergelijk verzoek wordt er door het Hof contact opgenomen met de advocaat van de betreffende verdachte en gevraagd of er bezwaren zijn tegen afgifte van een afschrift in verband met de privacy. Dat kan nu niet worden gedaan. Het Hof beschikt thans overigens ook niet over het vonnis. Het verzoek wordt derhalve afgewezen.”
10.
Het middel stelt – ongemotiveerd – dat het verzoek van de raadsman tot het verkrijgen van een afschrift van het vonnis van de medeverdachte [medeverdachte] dient te worden verstaan als een verzoek tot een voorziening als bedoeld in art. 43 Sv Pro Aruba, [3] om vervolgens te stellen dat de motivering van het Hof van de afwijzing van bedoeld verzoek in strijd is met het bepaalde in dat artikel.
11.
De steller van het middel lijkt er daarmee (ten onrechte) vanuit te gaan dat het Hof het verzoek tot het verkrijgen van het vonnis gewezen in de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] daadwerkelijk heeft opgevat als een verzoek als bedoeld in art. 43 Sv Pro Aruba, hetgeen geenszins het geval is. Het middel berust daarmee op een verkeerde lezing van het arrest van het Hof en mist derhalve feitelijk grondslag.
12.
De middelen falen en het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81, eerste lid, RO ontleende overweging. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
13.
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Art. 402 Sv Pro Aruba is gewijzigd bij Landsverordening van 8 maart 2012 houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering van Aruba (AB 1996 no. 75) (regeling bijzondere opsporingsbevoegdheden en andere spoedeisende veranderingen), iwtr. 16 maart 2012 (Afkondigingsblad van Arbua, 2012 no. 10).
2.Nota van wijziging in het ontwerp Landsverordening houdende wijziging van het Wetboek van Strafvordering. Zie ‘Bobwetgeving Curaçao, Sint Maarten en Aruba. De landsverordening bijzondere opsporingsbevoegdheden en andere spoedeisende veranderingen inclusief Memorie van Toelichting’, onder redactie van H. de Doelder, J.H.J. Verbaan en R.J. Verbeek, Nijmegen: Wolf Legal Publishers.
3.Art. 43 Sv Pro Aruba maakt het voor de verdediging en het openbaar Ministerie mogelijk om aan de rechter een verzoek te doen om een voorziening te treffen bij dringende noodzaak. Men spreekt ook wel van een ‘strafvorderlijk kort geding’. Zie Brouwer, Thodé en De Jong, Capita Antilliaans en Arubaans Strafprocesrecht, Gouda Quint, Deventer 1998, p. 33 e.v.