ECLI:NL:PHR:2013:1135

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
25 oktober 2013
Publicatiedatum
6 november 2013
Zaaknummer
13/04638
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 80a lid 1 ROArt. 288 lid 1 aanhef en onder b FwArt. 285 lid 3 Fw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing toelatingsverzoek schuldsaneringsregeling wegens ontbreken goede trouw

Verzoekers tot cassatie, die een vennootschap onder firma met een vishandel dreven, vroegen toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP) nadat hun faillissement was aangevraagd. De rechtbank Overijssel wees dit verzoek af omdat verzoekers onvoldoende aannemelijk maakten dat zij te goeder trouw waren bij het ontstaan en onbetaald laten van de schulden, met name een schuld van €5.700 aan het CIJB.

Het hof Arnhem-Leeuwarden bekrachtigde dit vonnis na een mondelinge behandeling, waarbij het eveneens oordeelde dat de goede trouw niet was aangetoond. Verzoekers gingen in cassatie tegen dit arrest met twee middelen.

De Hoge Raad verwierp de middelen. Het eerste middel faalde omdat verzoekers voldoende gelegenheid hadden gekregen om hun goede trouw aannemelijk te maken in hoger beroep. Het tweede middel strandde op het ontbreken van concrete aanwijzingen dat het hof onjuist had gehandeld. De Hoge Raad verklaarde het cassatieberoep niet-ontvankelijk op grond van artikel 80a RO.

Uitkomst: Het cassatieberoep is niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek tot toelating tot de WSNP is afgewezen wegens ontbreken van goede trouw.

Conclusie

Zaaknummer:13/04638 (WSNP)
mr. Wuisman
Parketdatum: 25 oktober 2013
CONCLUSIE inzake:
[verzoeker 1] en [verzoekster 2],
verzoekers tot cassatie,
advocaat: mr. M.S.M. Dietz de Loos - Schrijver

1.Voorgeschiedenis

1.1
Verzoekers tot cassatie, die in het verband van een vennootschap onder firma een – na een brand onderverzekerd gebleken – vishandel hebben gedreven, hebben, nadat hun faillissement was aangevraagd, zich in april 2013 tot de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Almelo, gewend met het verzoek om tot de wettelijke schuldsaneringsregeling te worden toegelaten. De rechtbank heeft dat verzoek na de mondelinge behandeling op 25 juni 2013, waarop verzoekers tot cassatie ondanks een oproep daartoe niet zijn verschenen, bij vonnis d.d. 4 juli 2013 afgewezen. Dat is gebeurd mede op de grond dat niet aannemelijk is ge-maakt dat verzoekers tot cassatie bij het aangaan en/of onbetaald laten van de schulden te goeder trouw zijn geweest, met name voor wat betreft de schuld van € 5.700 aan het CIJB.
1.2
Verzoekers tot cassatie zijn van het vonnis in appel gegaan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, bij een op 11 juli 2013 bij het hof binnengekomen beroepschrift. Na een op 12 september 2013 gehouden mondelinge behandeling heeft het hof bij arrest van 19 september 2013 het bestreden vonnis bekrachtigd. Het hof acht de goede trouw ten aanzien van de CIJB-schuld ook niet aangetoond (rov. 3.4). Voorts overweegt het hof nog “(…)
dat[verzoekers tot cassatie]
, nu zij onvoldoende inzicht hebben gegeven in hun totale schuldenlast en voorts onvoldoende toelichting hebben gegeven op het ontstaan van al die schulden, onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van die schulden. Daarbij komt dat[verzoekers tot cassatie]
onvoldoende hebben verklaard waarom hen geen verwijt treft tot de onderverzekering van hun vishandel. Reeds op grond van al het bovenstaande kunnen[verzoekers tot cassatie]
niet worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling(rov. 3.5)
. Het hof is voorts van oordeel dat[verzoekers tot cassatie]
onvoldoende hebben aangevoerd om hen thans op grond van de hardheidsclausule van artikel 285 lid 3 Fw Pro al wel toe te laten tot de schuldsaneringsregeling(rov. 3.6)
.
1.3
Verzoekers tot cassatie zijn bij een op 27 september 2013 per fax bij de griffie van de Hoge Raad binnengekomen verzoekschrift – en daarmee tijdig – van het arrest van het hof in cassatie gekomen. In het verzoekschrift zijn twee cassatiemiddelen opgenomen.

2.Bespreking van de cassatiemiddelen

2.1
In
cassatiemiddel Iwordt in verband met het oordeel van het hof in rov. 3.4 dat verzoekers tot cassatie onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat zij te goeder trouw zijn geweest ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun CIJB-schuld, aangevoerd dat zij in de onmogelijkheid zijn geweest om de benodigde gegevens aan te voeren, omdat de rechtbank heeft nagelaten hen opnieuw voor een mondelinge behandeling op te roepen toen zij niet op de zitting van 25 juni 2013 waren verschenen. Deze klacht faalt. Te dezen is beslissend of verzoekers tot cassatie in appel, waar de vraag van de goede trouw opnieuw aan de orde was, voldoende in de gelegenheid zijn geweest om de vereiste gegevens te verstrekken. Dat dat niet het geval zou zijn geweest, kan niet reeds worden aangenomen op grond van het feit dat de rechtbank heeft nagelaten verzoekers tot cassatie opnieuw voor een mondelinge behandeling op te roepen, nadat zij niet op de voor 25 juni 2013 bepaalde mondelinge behandeling waren verschenen. Er is op 11 juli 2013 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank, waarin reeds te kennen werd gegeven dat verzoekers tot cassatie onvoldoende hun goede trouw ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van hun CIJB-schuld aannemelijk hadden gemaakt, terwijl de mondelinge behandeling bij het hof op 12 september 2013 plaatsvond. Er was in die periode van twee maanden gelegenheid om aanvullende informatie te verstrekken. Van die gelegenheid is door verzoekers tot cassatie ook gebruik gemaakt. Op 2 september 2013 is een brief naar het hof gezonden met een toelichting op de gronden van het beroep. Daarin wordt ook de CIJB-schuld ter sprake gebracht. Dat men meer tijd nodig had om in verband met die schuld relevante informatie te vergaren, wordt in die brief niet vermeld en is ook tijdens de mondelinge behandeling niet naar voren gebracht. Uit het proces-verbaal van die zitting blijkt daarvan in ieder geval niet.
2.2
Ook wordt nog aangevoerd dat het hof ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het voorstel van de Europese Commissie tot modernisering van de Europese regels inzake insolventie. Niet valt echter in te zien dat en waarom het hof dat voorstel in aanmerking had moeten nemen. In het verzoekschrift tot cassatie wordt dat ook niet duidelijk gemaakt.
2.3
Met
cassatiemiddel IIworden de rov. 3.5 en 3.6 bestreden. Voor zover ook hier weer ten betoge dat er geen sprake is geweest van een eerlijke procesgang een beroep wordt gedaan op het feit dat de rechtbank heeft nagelaten verzoekers tot cassatie opnieuw voor een mondelinge behandeling op te roepen nadat zij niet op de voor 25 juni 2013 bepaalde mondelinge behandeling waren verschenen, strandt dat beroep om dezelfde reden als hiervoor bij de bespreking van cassatiemiddel I vermeld.
2.4
Er wordt ook nog geklaagd over het te dezen innemen door het hof van een te lijdelijke houding. Ook voor wat die klacht betreft kan cassatiemiddel II geen doel treffen. Er wordt niet nader aangegeven wat het hof heeft nagelaten te doen en waarom dat dan rechtens onjuist zou zijn.

3.Conclusie

Uit het voorgaande volgt dat de cassatiemiddelen klaarblijkelijk geen doel treffen. Er bestaat derhalve aanleiding om het cassatieberoep op de voet van artikel 80a RO niet ontvankelijk te verklaren.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden