Conclusie
1.Feiten en procesverloop
in staat van faillissement wordt verklaard;
grief Iwordt opgekomen tegen de door de kantonrechter in rov. 10 t/m 13 aan artikel 9.4.8 van de huurovereenkomst gegeven uitleg en de daaraan verbonden gevolgen.
2.Beoordeling van het cassatieberoep
verplichtingen van de huurders. [8] Dit oordeel dient dan ook in cassatie tot uitgangspunt.
middelis in de kern gericht tegen het oordeel van het hof dat [eiseres] echter
“geen vordering tot schadevergoeding jegens de huurders toekomt”(rov. 3.11), waaraan het hof – in cassatie op zichzelf niet bestreden – de gevolgtrekking verbindt dat [eiseres] zich niet op de door Romania verstrekte garantie kan beroepen.
onderdelen I.1 tot en met I.3 (eerste alinea)geklaagd, samengevat, dat het hof, door het arrest van Uw Raad van 14 januari 2011, LJN: B03534, NJ 2011/114 m.nt. PvS (hierna ook: het arrest Aukema q.q./Uni-Invest) tot uitgangspunt te nemen (rov. 3.9-3.10) en daaruit af te leiden dat de huurders geen contractuele verplichting tot schadevergoeding hebben (rov. 3.11), miskend heeft dat uit genoemd arrest de regel volgt dat een vooraf door de verhuurder bedongen schadevergoedingsverplichting van de huurder bij een opzegging wegens faillissement (ex art. 39 Fw Pro), zoals het onderhavige art. 7 Algemene Pro bepalingen, slechts niet kan worden tegengeworpen aan de
boedel, anders gezegd: slechts tegenover de
boedelniet toelaatbaar c.q. ongeldig is (het middel spreekt van
relatieve nietigheidvan het schadevergoedingsbeding). Het hof heeft miskend dat de in het arrest Aukema q.q./Uni-Invest ontwikkelde regel uitsluitend ziet op de rechtsverhouding tussen de verhuurder (dan wel de regres nemende garant) en de
boedel, en dus geen betekenis heeft in de rechtsverhouding tussen de verhuurder en de
huurder(en daarmee evenmin in de rechtsverhouding tussen de verhuurder en de garant). Voorts strookt een ruimere uitleg van het arrest van Uw Raad als door het hof gegeven niet met de ratio van het aangaan van een garantiebepaling. De garantsteller heeft zich juist verbonden om de verplichtingen uit de huurovereenkomst na te komen in geval de huurder niet kan nakomen (vooral in geval van een faillissement), aldus het middel.
nietigex art. 3:40 lid 1 BW Pro, of is dit beding geldig maar de daaruit ontstane vordering van de verhuurder op de huurder slechts
niet-verifieerbaarin het faillissement?
Door die opzegging ontstaat (dus) geen schadeplichtigheid (Van der Feltz I, p. 423, en HR 14 januari 2001, LJN BO3534, NJ 2011/114).
“door die opzegging (dus) geen schadeplichtigheid ontstaat”(rov. 3.6.2). Hieruit valt naar mijn indruk niet met zekerheid af te leiden dat een contractueel beding strekkende tot vergoeding van leegstandschade in geval van opzegging door de curator op de grond van art. 39 Fw Pro in de visie van Uw Raad absoluut nietig is. De ongeclausuleerde formulering van de overweging en de verwijzing naar het arrest Aukema q.q./Uni-Invest, waarin een dergelijk beding centraal stond, kunnen wijzen op absolute nietigheid. Anderzijds ziet de verwijzing naar Van der Feltz I, p. 423 op de (ook in het arrest Aukema q.q./Uni-Invest aangehaalde) opmerking dat de Regering ‘niet de minste reden’ zag om de verhuurder naast zijn boedelvordering ook nog een wettelijk recht op schadevergoeding te geven, waarmee nog niets behoeft te zijn gezegd over de geldigheid van een contractueel recht op schadevergoeding. [20]
enerzijds het belang van de boedel(curs. A-G) tot voorkoming van het oplopen van boedelschulden en anderzijds het belang van de verhuurder bij betaling van de huurprijs (rov. 3.5.1). Voorts wordt verwezen naar het Papierfabrieken Van Gelder-arrest [22] , waarin Uw Raad heeft geoordeeld dat een doorbreking van de aan art. 40 Fw Pro ten grondslag liggende belangenafweging niet kan worden aangenomen,
zowel in die zin dat uit een dergelijke overeenkomst geen boedelschuld kan ontstaan, als in die zin dat de betreffende vordering niet voor verificatie in aanmerking komt(rov. 3.5.3, curs. A-G) [23] . De overwegingen dat het resultaat van de belangenafweging niet door het schadevergoedingsbeding ‘kan worden doorbroken’ (rov. 3.5.2 en dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat dit beding in dit geval ‘effect sorteert’ (rov. 3.5.4) past wat mij betreft in beide lezingen. [24]
overigensuitsluitend voortbouwende klachten. Gelet op het slagen van de voorgaande onderdelen behoeven deze geen bespreking.