De verdachte werd door het Gerechtshof te ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor meerdere feiten, waaronder bedreiging met zware mishandeling door met hoge snelheid met een auto in te rijden op een dienstvoertuig van politiefunctionarissen. De verdachte stelde cassatieberoep in tegen deze veroordeling, stellende dat het hof onvoldoende bewijs had geleverd voor het opzet en de redelijke vrees bij de bedreigden.
Het hof had geoordeeld dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de inzittenden van het dienstvoertuig vrees zouden krijgen voor zwaar lichamelijk letsel, ondanks dat niet kon worden vastgesteld dat daadwerkelijk zwaar letsel waarschijnlijk was. De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd hoe het opzet op bedreiging met zware mishandeling kan worden aangenomen, terwijl het opzet op zware mishandeling werd verworpen.
Daarnaast oordeelt de Hoge Raad dat het hof niet aannemelijk heeft gemaakt dat de bedreigden in redelijkheid vrees hadden kunnen krijgen, mede omdat zij dit zelf niet hebben verklaard en de schade aan het dienstvoertuig beperkt was. Hierdoor is sprake van een motiveringsgebrek dat leidt tot vernietiging van het arrest voor het onderdeel bedreiging met zware mishandeling. Voor de overige veroordelingen, waaronder diefstal met braak, blijft het hofarrest in stand.
De Hoge Raad wijst ook op een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase, maar dit leidt niet tot vernietiging van het gehele arrest. De zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het onderdeel bedreiging met zware mishandeling.