ECLI:NL:PHR:2013:1113

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
13 september 2013
Publicatiedatum
1 november 2013
Zaaknummer
13/02398
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 lid 3 Wet griffierechten burgerlijke zakenArt. 127a lid 3 RvArt. 409a lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontvankelijkheid cassatieberoep bij te late betaling griffierecht ondanks verwarrende nota

In deze zaak heeft de eiser bij dagvaarding van 1 mei 2013 beroep in cassatie ingesteld. De zaak werd op 17 mei 2013 voor het eerst behandeld door de Hoge Raad. Het griffierecht moest volgens de wet binnen vier weken na de eerste terechtzitting zijn betaald, dus uiterlijk 14 juni 2013. De eiser betaalde het griffierecht echter pas op 17 juni 2013, waardoor het niet tijdig was voldaan.

De advocaat van de eiser stelde dat de nota een schrijffout bevatte, omdat de uiterste betaaldatum op de nota stond vermeld als 21 mei 2013, een datum die al was verstreken bij ontvangst. De advocaat interpreteerde dit als een verzoek tot betaling vóór 21 juni 2013. Dit werd aangevoerd als reden om de hardheidsclausule toe te passen.

De Hoge Raad oordeelde dat de advocaat geacht wordt op de hoogte te zijn van de betalingstermijn en de gevolgen van overschrijding daarvan. De verwarring door de nota kan niet leiden tot toepassing van de hardheidsclausule, zeker omdat de advocaat geen navraag heeft gedaan bij de griffie. Daarom werd het cassatieberoep niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens te late betaling van het griffierecht.

Conclusie

13/02398
Mr. P. Vlas
Zitting, 13 september 2013
Conclusie inzake griffierecht:
[de man]
(hierna: de eiser)
tegen
[de vrouw]
1. De eiser heeft bij dagvaarding van 1 mei 2013 beroep in cassatie ingesteld. De zaak is op 17 mei 2013 voor de eerste maal uitgeroepen ter terechtzitting van de Hoge Raad. Het griffierecht is betaald op 17 juni 2013. De vraag is of het griffierecht tijdig is betaald met het oog op art. 3 lid 3 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (Wgbz) in verbinding met art. 409a lid 2 Rv, waarin is bepaald dat de eiser die het griffierecht niet tijdig heeft betaald niet-ontvankelijk is in zijn beroep in cassatie.
2. De advocaat van eiser stelt zich op het standpunt dat het griffierecht is voldaan binnen twee weken na ontvangst van de op 23 mei 2013 gedateerde nota. Deze nota vermeldt dat het bedrag ‘uiterlijk 21.05.2013 op de bankrekening van het gerecht’ moet zijn bijgeschreven. De advocaat heeft deze vermelding van de uiterste betaaldatum opgevat als schrijffout, omdat het een datum was die op het moment van ontvangst van de nota reeds was verstreken. De advocaat heeft dit opgevat als een verzoek te betalen vóór 21 juni 2013.
3. De onderhavige zaak is op 17 mei 2013 voor de eerste maal uitgeroepen ter terechtzitting van de Hoge Raad. De eiser diende ingevolge art. 3 lid 3 Wgbz Pro te zorgen dat het door hem verschuldigde griffierecht binnen vier weken nadien zou zijn bijgeschreven op de rekening van de Hoge Raad dan wel ter griffie van de Hoge Raad zou zijn gestort. Die termijn liep af op 14 juni 2013. De eiser heeft het griffierecht echter nadien voldaan en wel op 17 juni 2013. Daarmee is het griffierecht niet tijdig betaald en dient eiser derhalve niet-ontvankelijk te worden verklaard.
4. De door de advocaat van eiser aangevoerde omstandigheid dat de nota een schrijffout bevat en is opgevat als een verzoek te betalen vóór 21 juni 2013 kan niet gelden als een omstandigheid die noopt tot het toepassen van de hardheidsclausule in de zin van art. 127a lid 3 Rv. De advocaat die in cassatie namens de eiser optreedt moet op grond van zijn deskundigheid en kennis ten aanzien van de procedure in cassatie zonder meer geacht worden op de hoogte te zijn van de termijn waarbinnen het griffierecht moet worden betaald en van de verstrekkende gevolgen die de wet verbindt aan overschrijding daarvan (zie HR 16 maart 2012, ECLI:NL:HR:BU7361, NJ 2012/275). Nu in het onderhavige geval de nota een vermoedelijke schrijffout bevatte, had het bovendien bij twijfel op de weg van de advocaat gelegen daarnaar navraag te doen bij de griffie van de Hoge Raad. Daarvan is niet gebleken.
5. De conclusie strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van eiser in zijn cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
AG