Conclusie
zelfactief zijn, (b) aan een dergelijk besluit dat tot exclusieve afname dwingt, een mededingingsbeperkende strekking toekomt en (c) de art. 24 Mw Pro en art. 102 VWEU Pro aan misbruik van een economische machtspositie in de vorm van een leveringsweigering de eis stellen dat zij tot een volledige uitschakeling van de mededinging kunnen leiden. Voorts is aan de orde of de vorderingen van de curator (deels) zijn verjaard.
“de besluitvorming over een aantal fundamentele zaken als aansluitvoorwaarden, tarieven en het moment van aansluiting op de uniforme uitwisseling niet voor 10 december kan worden afgerond.”De verwachting wordt uitgesproken dat de bijeenkomst in februari 2003 doorgang zal kunnen vinden. Ook die geplande informatiedag wordt uitgesteld. Als nieuwe datum wordt 26 september 2003 vastgesteld. Op 29 januari 2004 schrijft NVM aan HPC dat de aangekondigde gegevens (XML-definities en aansluitdocumentatie) per 1 maart 2004 aan de leveranciers van kantoorautomatiseringspakketten kunnen worden verstrekt.
preferred suppliervan kantoorautomatiseringspakketten voor NVM-makelaars, Realworks genaamd.
preferred suppliervrijgegeven. In het verslag van het gesprek op 11 juni 2003 tussen HPC en NVM is onder meer hierover opgenomen:
“Na dit (test)traject worden de specs vrijgegeven. Hierdoor zal de nieuwe aanbieder (Voorlopig Real Works) wel een tijdelijke voorsprong verkrijgen op het gebied van uitwisseling.”Op 2 oktober 2003 laat NVM aan HPC per e-mail weten dat behalve aan Realworks de specificaties voor de koppeling met TIARA aan geen enkele andere partij ter beschikking zijn gesteld.
2.Bespreking van het cassatiemiddel in het principale beroep
zelfactief zijn. Volgens
subonderdeel 1.1is die beslissing rechtens onjuist, omdat slechts besluiten die de mededinging tussen de leden van een ondernemersvereniging (kunnen) beperken, onder het verbod van art. 6 Mw Pro c.q. art. 101 VWEU Pro vallen.
Subonderdeel 1.2voert aan dat, voor zover het hof dit laatste niet heeft miskend, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom sprake is van een besluit van NVM dat de mededinging tussen haar leden beperkt of kan beperken op de markt waarop die leden actief zijn, nu de door die leden gebruikte automatiseringssystemen slechts hulpmiddelen zijn voor hun dienstverlening en deze hulpmiddelen derhalve niet zien op die dienstverlening zelf. In het licht van de subonderdelen 1.1 en 1.2 betoogt
subonderdeel 1.3dat niet bepalend is of uit de brieven van NVM van 19 oktober 1998, 24 maart 1999 en 12 mei 1999 blijkt dat NVM haar leden tot gelijkgestemd gedrag poogt aan te zetten en evenmin of de in de bedoelde brieven opgenomen verplichting tenminste één licentie module Makelaardij en het objectuitwisselingssysteem Masterplan 2000 af te nemen ook blijkt uit een uitdraai van de website van NVM van 10 april 2003. Volgens het subonderdeel is slechts bepalend of bij NVM de wil bestond tot het coördineren van het handelen van haar leden met als strekking of effect de mededinging te beperken op de markt waarop zij actief zijn.
Subonderdeel 1.4betoogt dat de klachten van de voorgaande subonderdelen ook de beslissing in de rov. 4.5-4.6 van het tussenarrest en in de rov. 2.2, 2.11, 2.12, 2.18, 2.32 en 3 van het eindarrest volgens welke de litigieuze besluiten besluiten van een ondernemersvereniging in de zin van art. 6 Mw Pro zijn, vitiëren.
“overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van ondernemingen, die ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan wordt verhinderd, beperkt of vervalst”. De bepaling sluit nauw aan bij die van art. 101 lid 1 VWEU Pro (voorheen art. 81 lid 1 EG Pro-Verdrag), volgens welk artikellid
“alle overeenkomsten tussen ondernemingen, alle besluiten van ondernemersverenigingen en alle onderling afgestemde feitelijke gedragingen welke de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt wordt verhinderd, beperkt of vervalst”onverenigbaar met de interne markt en verboden zijn. Bestanddeel van het nationale kartelverbod is een verhindering, beperking of vervalsing van
“de mededinging op de Nederlandse markt of een deel daarvan”; bestanddeel van het Europeesrechtelijke kartelverbod is een verhindering, beperking of vervalsing van
“de mededinging binnen de interne markt”.Om te kunnen bepalen of (naar strekking of gevolgen van de betrokken overeenkomst, het betrokken besluit of de betrokken gedraging) van een zodanige verhindering, beperking of vervalsing van de mededinging sprake is, zal men de markt(en) moeten afbakenen waarop de betrokken overeenkomst, het betrokken besluit of de betrokken onderling afgestemde feitelijke gedraging zijn of haar gevolgen doet (of kan doen) gevoelen. De relevante markt moet in tweeërlei opzicht worden afgebakend: in de eerste plaats aan de hand van de producten of diensten die met de betrokken overeenkomst, het betrokken besluit of de betrokken gedraging in het geding zijn (de relevante product- of dienstenmarkt(en)), in de tweede plaats aan de hand van de geografische omvang van die markt(en) (de relevante geografische markt(en)). Het is (het object van) de betrokken overeenkomst, het betrokken besluit of de betrokken onderling afgestemde feitelijke gedraging (waarbij die overeenkomst, dat besluit of die gedraging steeds in zijn of haar feitelijke, economische en juridische context moet worden bezien), en het zijn
nietde activiteiten van de daarbij betrokken partijen als zodanig, die de voor de toepassing van de genoemde mededingingsbepalingen relevante markt bepalen.
OTOC [4] , waarop partijen bij re- en dupliek zijn ingegaan en waaraan zij een verschillende uitleg hebben gegeven, maar waarin het Hof van Justitie in elk geval heeft geoordeeld dat het besluit van een ondernemersvereniging binnen het bereik van het verbod van art. 101 VWEU Pro kan vallen, ook zonder dat het rechtstreekse invloed heeft op de economische activiteit van de leden, als het betrekking heeft op een markt waarop de vereniging zelf een economische activiteit uitoefent.
onderlingemededinging tussen de bij de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging betrokken partijen wordt verhinderd, beperkt of vervalst, zij op een misvatting berust. Van een relevante verhindering, beperking of vervalsing kan evenzeer sprake zijn als zij niet de onderlinge mededinging van de bij de overeenkomst, het besluit of de onderling afgestemde feitelijke gedraging betrokken partijen betreft, maar betrekking heeft op de mededinging tussen slechts één van die partijen (waaronder, zoals het arrest
OTOCleert, ook de betrokken ondernemersvereniging zelf moet worden begrepen) of een door die partij(en) gefavoriseerde onderneming enerzijds en (een) derde(n) anderzijds.
corebusinessdaarop niet lag. Twijfelachtig acht ik ook het uitgangspunt van NVM dat als gevolg van de litigieuze besluiten van enige beperking van de onderlinge concurrentie tussen haar leden geen sprake kon zijn. Door de litigieuze besluiten, zoals het hof die heeft opgevat, werden de leden van NVM immers in hun handelingsvrijheid met betrekking tot de aanschaf van kantoorautomatiseringssoftware beknot. Die software was en is bestemd om de
corebusinessvan de leden van NVM te faciliteren. De omstandigheid dat, zoals het hof heeft geoordeeld, de leden van NVM de facto waren gedwongen bepaalde software aan te schaffen (en van de aanschaf van concurrerende producten af te zien), kon zeer wel ook hun onderlinge concurrentie beperken, bijvoorbeeld doordat de onmogelijkheid van aanschaf van goedkopere of juist duurdere maar betere software de ruimte voor prijs- en kwaliteitsconcurrentie in hun
corebusinessverkleinde.
“NVM heeft de levering van de specificaties van TIARA voor koppeling met OMA (in afwijking van de gerechtvaardigde verwachtingen van HPC) ten onrechte met vertraging aan HPC ter beschikking gesteld, terwijl NVM deze specificaties wel direct aan haar preferred supplier Realworks BV ter beschikking heeft gesteld”; LK), terwijl de kern van de vraagstelling van het hof was hoe de relevante markt ten tijde van de besluiten onder 2.1 a) (
“NVM heeft als ondernemersvereniging NVM-leden de facto verplicht exclusief de module Makelaardij af te nemen”; LK) en b)
(“NVM heeft als ondernemersvereniging NVM-leden verplicht ten minste één licentie van de module Makelaardij af te nemen”; LK) gekwalificeerd moet worden. Dit bezwaar dient te worden gepasseerd. In de eerste plaats hebben de deskundigen aangegeven dat ook vanuit een
ex anteperspectief (dat is de periode vóór de in 2002 georganiseerde aanbesteding) aanbodsubstitutie onwaarschijnlijk is. Vergelijkbare overwegingen zijn volgens de deskundigen van toepassing op Masterplan 2000, de voorganger van TIARA, en de daarbij behorende kantoorautomatiseringssoftware. In de tweede plaats hebben de deskundigen in bijlage 3 van hun rapport (onder 3.3.3) naar het oordeel van het hof overtuigend uiteengezet - mede tegen de achtergrond van de namens NVM gemaakte opmerkingen ten aanzien van het concept deskundigenrapport - hoe zij tot hun oordeel omtrent de marktafbakening zijn gekomen. NVM heeft zich verder op het standpunt gesteld dat de deskundigen van een onjuiste - te weten nationale - relevante geografische markt zijn uitgegaan. Het hof verwerpt ook dit bezwaar van NVM, nu het hof het oordeel van de deskundigen dat de in het geding zijnde kantoorautomatiseringssoftware niet als een IT-product maar als IT-dienstverlening moet worden beschouwd overneemt en NVM in dat kader (onder 6.4 van haar conclusie na deskundigenbericht) zelf heeft gesteld dat, uitgaande van (een productmarkt voor) IT-dienstverlening, de relevante geografische markt nationaal van aard is.”
“(t)erzake van het vermeende besluit van NVM (…) om NVM-leden de facto te verplichten de module Makelaardij af te nemen, geldt dat NVM reeds in 1992 het besluit heeft genomen Masterplan 2000 te ontwikkelen en te implementeren.”Zoals uit de weergave van het standpunt van de curator in rov. 2.10 blijkt, wordt NVM echter niet verweten in 1992 te hebben besloten het Masterplan 2000 te ontwikkelen en te implementeren, maar haar leden in 1998 te hebben verplicht de uitwisselingsmodule van dat plan te gebruiken, terwijl de module Makelaardij daaraan was gekoppeld, en door vanaf eind 2002 tot maart 2004 weliswaar tweezijdige aansluiting toe te staan, maar haar leden nog steeds te verplichten één licentie van de module Makelaardij af te nemen. Dat in het aldus relevante tijdvak van 1998 tot maart 2004 iedere concurrentie ontbrak en er in het geheel geen aanbieders bereid waren de door NVM gevraagde separate applicatie voor makelaars te leveren, wordt reeds gelogenstraft door hetgeen het subonderdeel zelf releveert, te weten dat volgens de eigen stellingen van NVM in de feitelijke instanties HPC in 1998 de gelegenheid heeft gehad haar kantoorautomatiseringspakket OMA
“met het kantoorautomatiseringsgedeelte van Masterplan 2000 te laten concurreren, maar ook toen (…) die concurrentiestrijd (heeft) verloren.”Van een
“concurrentieslag”was, naar het subonderdeel voorts releveert, volgens de eigen stellingen van NVM in de feitelijke instanties overigens ook reeds sprake in 1994, toen HPC
“de gelegenheid heeft gehad haar programma HPC Net (een geïntegreerd systeem) bij (de leden van) NVM ingang te doen vinden, maar dat zij toen de concurrentieslag met Masterplan 2000 heeft verloren.”Dat er gedurende de in de opvatting van het hof kennelijk relevante periode geen aanbieders waren die bereid waren de door NVM gevraagde separate applicatie voor makelaars te leveren, is in elk geval onjuist, evenals het uitgangspunt dat gedurende die periode concurrentie zou hebben ontbroken.
“bij zijn bespreking van die verweren”), heeft het hof de door NVM gevoerde verweren besproken en is het daaraan niet voorbijgaan. Nu is weliswaar denkbaar dat het hof aan bepaalde van die verweren onvoldoende recht heeft gedaan door die verweren niet specifiek te relateren aan de periode met het oog waarop zij waren gevoerd, maar dat zulks het geval is, kan, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet worden aangenomen. Zoals bij de bespreking van onderdeel 2 reeds aan de orde kwam, meen ik overigens dat het hof van andere perioden is uitgegaan dan NVM.
“de gevolgen die introductie van Masterplan 2000 en de onderhavige besluiten ten aanzien van de mededinging hebben gehad”, doelde het hof kennelijk niet op de mededingingssituatie in 1992, waaraan NVM haar stelling had gerelateerd. De in rov. 2.1 onder a bedoelde gedraging laat zich niet in 1992, maar in de periode 1998-2002 situeren, gedurende welke periode HPC (reeds in 1998) als aanbieder bereid was de door NVM gevraagde separate applicatie voor makelaars te leveren. Al om die reden kan de klacht niet tot cassatie leiden.
“Het was aanvankelijk onmogelijk - althans uitermate onwenselijk uit het oogpunt van de informatie, stabiliteit en beheersbaarheid van het systeem - om Masterplan 2000 in te richten op het ontvangen van informatie afkomstig uit en het versturen van informatie via andere kantoorautomatiseringsprogramma’s dan de module Makelaardij, die daarvoor speciaal ontworpen was.”Kennelijk en niet onbegrijpelijk heeft het hof deze passage aldus opgevat, dat NVM daarin, sprekende van een onwenselijkheid, de eerder geponeerde technische onmogelijkheid althans enigermate relativeerde.
strekkingte hebben de mededinging te beperken (Hof van Justitie EG, 7 december 2000, zaak C-214/99 (Nesté)).
de factoverplicht de module Makelaardij af te nemen, terwijl alle leden van de Haagse Makelaarsbeurs, een subvereniging van NVM, juist gebruik maakten van het objectuitwisselingsprogramma van HPC en bij hen juist weerstand bestond tegen de opgelegde verplichting om voor de module Makelaardij te kiezen.
“door de vereniging genomen besluiten”geen afbreuk doet.
“binnen de economische context waarin zij toepassing vinden, rekening houdend met de doelstellingen van partijen en de wijze waarop zij daadwerkelijk op de markt optreden, de producten of diensten waarop de besluiten betrekking hebben, de structuur van de betrokken markt en de werkelijke omstandigheden waaronder deze functioneert”. Voor zover het hof zou moeten worden geacht het bedoelde onderzoek wel te hebben verricht, klaagt het onderdeel dat van een dergelijk onderzoek niet blijkt en dat het hof onvoldoende inzicht in zijn bij dit onderzoek gevolgde gedachtegang heeft gegeven.
horizontaalgemaakte afspraak om de betrokken diensten of producten slechts van de eigen vereniging (of een door deze geselecteerde derde) af te nemen, dan met de
verticaleovereenkomsten (bijvoorbeeld met betrekking tot de levering van bier of de bevoorrading van tankstations) zoals die in de rechtspraak van het Hof van Justitie aan de orde waren.
de factogedwongen zijn zich aan het regime van exclusieve afname zoals gehanteerd door de gekozen leverancier te onderwerpen. Een verdere relativering van het verschil tussen een tot exclusieve afname verplichtend besluit van een ondernemersvereniging en een verticale overeenkomst waarbij de afnemer zich tot exclusieve afname heeft moeten verbinden, is geboden, als het betrokken product of de betrokken dienst mede door de ondernemersvereniging is ontwikkeld en die vereniging in zoverre met een leverancier vergelijkbaar is.
merkbaarheidvan de mededingingsbeperking waartoe de overeenkomst, het besluit of de gedraging in kwestie strekt [11] .
merkbaarheidvan de mededingingsbeperking en dat in de mededingingspraktijk van de Commissie en de NMa
“het dogmatische onderscheid (wordt) vermeden door te stellen dat de betrokken gedragingen een mededingingsbeperkend doel en/of effect hebben gehad”(memorie van antwoord in incidenteel appel onder 42-47).
nietreeds naar hun strekking mededingingsbeperkend zijn.
enhet product of de dienst waarom verzocht wordt (in dit geval: de specificaties voor koppeling van OMA aan TIARA) onontbeerlijk of essentieel is om op de markt actief te zijn in die zin dat er geen reëel of potentieel alternatief bestaat en voorts voor de leveringsweigering geen objectieve rechtvaardigingsgrond bestaat (vgl HvJ EG 26 november 1998, zaak C-7/97, Bronner en CBb 3 december 2009, zaak AWB 07/997, LJN BK6514). Daarbij is voorts van belang dat een leveringsweigering niet daadwerkelijk behoeft te hebben plaatsgevonden om te kwalificeren als misbruik. Er kan ook sprake zijn van misbruik bij deze zogenaamde “constructieve weigering” die de vorm aanneemt van het nodeloos vertragen van de levering van de dienst of het product (vgl. Richtsnoeren 2009/C45/02 betreffende de handhavingsprioriteiten van de Commissie bij de toepassing van artikel 102 VW Pro EU op onrechtmatig uitsluitingsgedrag door ondernemingen met een machtspositie, Pb EU 2009, C45, randnummer 79).
beidevoormelde criteria is voldaan. Zo heeft de curator de stelling van NVM (in het kader van haar betwisting van het misbruik) dat HPC in ieder geval 20% van de makelaars, die geen NVM-lid waren, heeft kunnen beleveren zonder over de specificaties van TIARA te beschikken, niet althans onvoldoende weersproken, zodat als gevolg daarvan in ieder geval niet is komen vast te staan dat de mededinging op de markt voor kantoorautomatiseringssoftware volledig is uitgeschakeld of - zoals NVM stelt - de effectieve mededinging daarop is uitgesloten.”
Bronneraan de voorwaarde van (het risico van) uitsluiting van
elkemededinging op een afgeleide markt vastgehouden. Ik verwijs in dit verband naar het arrest
IMS Health [18] van 29 april 2004, waarin het Hof overwoog:
Alarmcentrale Nederland) overwoog het College:
volledigeuitsluiting van de mededinging op de markt waarop de uitgesloten partij actief is, mist doel. Daaraan doet mijns inziens niet af dat het (toenmalige) Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen in zijn uitspraak van 17 september 2007 in de zaak
Microsoft/Commissie [19] van de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is afgeweken.
)geciteerde uitspraak in de zaak
Alarmcentrale Nederland, welke uitspraak is gedaan, ruim twee jaar na het arrest van het Gerecht in de zaak
Microsoft.
Microsofthier bepalend zou zijn, zou ik menen dat het niet tot een ander dan het bestreden oordeel zou dwingen. Het hof heeft aangenomen dat, nu HPC in ieder geval 20% van de makelaars die geen NVM-lid waren, heeft kunnen beleveren, niet is komen vast te staan dat de mededinging op de markt voor kantoorautomatiseringssoftware volledig is uitgeschakeld of de effectieve mededinging daarop is uitgesloten. Alhoewel het hof zulks niet met zoveel woorden heeft overwogen, lees ik rov. 2.8, mede in het licht van rov. 2.7, waarin het hof als criterium heeft vooropgesteld of de weigering tot volledige uitsluiting van de mededinging
kanleiden, aldus dat volgens het hof ook gevaar van een dergelijke uitschakeling of uitsluiting niet is komen vast te staan. Het volgens het hof door NVM niet bediende deel van de betrokken markt (20%) liet bovendien ruimte voor concurrentie, die naar mijn mening (in termen van het arrest
Microsoft) niet als
“marginaal”kan worden aangeduid. Ook doet zich in verband met dat “vrije” deel van de markt niet de in het arrest
Microsoftbedoelde omstandigheid voor dat concurrenten nog slechts in bepaalde
“niches”op de markt actief kunnen zijn. Weliswaar spreekt het onderdeel onder 2.5.2 (overigens zonder verwijzing naar vindplaatsen in de stukken van de feitelijke instanties) van
“de nichemarkt voor kantoorautomatiseringssoftware aan niet-NVM makelaars”, maar zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de niet-NVM makelaars een specifieke groep van afnemers zouden vormen die ook specifieke producten zouden behoeven en waarom met het oog daarop met betrekking tot de niet-NVM makelaars van een afzonderlijke niche(markt) sprake zou zijn.
“(d)it document (…) niet (is) bedoeld als een rechtsregel en (…) de uitlegging van artikel 82 door Pro het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (…) of het Gerecht van eerste aanleg onverlet (laat).”Evenmin heeft de Commissie bedoeld daarmee af te wijken van de rechtspraak van de Europese rechter; zo heeft de Commissie voor de stelling dat
“(h)et (…) eerder zo (is) dat een input onmisbaar is wanneer er geen daadwerkelijk of potentieel substitutieproduct is waarvan de concurrenten op de downstream zouden kunnen gebruikmaken om - ten minste op de lange termijn - de negatieve gevolgen van de weigering tegen te gaan”, onder meer verwezen naar het al eerder genoemde arrest
Bronner, punten 44 en 45. Deze punten en de omliggende punten 42-43 en 46 luiden als volgt:
Bronner, waarnaar de Richtsnoeren verwijzen. Kennelijk wordt in de Richtsnoeren met een daadwerkelijk of potentieel substitutieproduct niet een alternatieve
toegangbedoeld tot het systeem waarvan men voor zijn activiteiten op de betrokken markt afhankelijk meent te zijn, maar een daadwerkelijk of potentieel alternatief voor dat
systeem als zodanig. Althans blijkt dat uit het arrest
Bronner, waarin een uitgever van dagbladen toegang wilde tot het enige landelijke thuisbezorgingsnet, dat door zijn concurrent werd onderhouden. Het Hof van Justitie stelde voorop dat men voor de uitgifte van dagbladen überhaupt niet van thuisbezorging afhankelijk is en noemde in de eerste plaats (in punt 43) alternatieven zoals bezorging per post en verkoop in winkels en kiosken, ook al zijn die voor de distributie van bepaalde van die dagbladen minder gunstig. Daarnaast wees het Hof van Justitie op de mogelijkheid om, naast het bestaande systeem van de concurrent (waarop men zou willen “meeliften”), al dan niet in samenwerking met derden, een eigen thuisbezorgingssysteem op te zetten, waarbij geen beslissend argument kan zijn dat de kleine oplage van het eigen dagblad of de eigen dagbladen de opzet van een dergelijk systeem niet rechtvaardigt. Anders dan de curator meent, komt het bij de beantwoording van de vraag of de verlangde specificaties al dan niet onontbeerlijk waren, daarom wel degelijk (mede) aan op de mogelijkheden om op de markt voor kantoorautomatiseringssoftware voor makelaars actief te zijn, zonder een koppeling van OMA (de eigen kantoorautomatiseringssoftware) op TIARA (het objectuitwisselingssysteem van NVM) te kunnen realiseren.