ECLI:NL:PHR:2013:1082

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 augustus 2013
Publicatiedatum
29 oktober 2013
Zaaknummer
12/01026
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 163 lid 2 WVW 1994Art. 8 lid 2 onder a WVW 1994Art. 179 lid 6 WVW 1994Art. 434 lid 1 SvArt. 359 lid 2 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling voor weigering ademanalyse ondanks onduidelijkheid over eerdere transactie

De zaak betreft een verdachte die door het Gerechtshof Amsterdam is veroordeeld wegens overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994, namelijk het weigeren mee te werken aan een ademanalyse. Het Hof bevestigde het vonnis van de rechtbank, vernietigde het deel over strafoplegging en legde een werkstraf van 40 uur op, subsidiair 20 dagen hechtenis, en een rijontzegging van zes maanden.

Verdachte voerde in hoger beroep aan dat hij niet de bestuurder was en dat de politie niet kon zien wie er had gereden. Het Hof verwierp dit verweer omdat het niet onderbouwd was en de verklaringen van de verbalisanten dit tegenspraken. Daarnaast oordeelde het Hof dat verdachte was bevolen mee te werken aan de ademanalyse en dat de weigering daarvan een misdrijf opleverde.

Verdachte stelde in cassatie dat het Hof ten onrechte rekening hield met een vermeende transactie in 2009 voor rijden onder invloed, terwijl uit het uittreksel justitiële documentatie bleek dat de transactie pas in 2010 was voldaan en het feit waarvoor de transactie gold in 2009 was gepleegd. De Hoge Raad oordeelde dat deze onduidelijkheid van ondergeschikte betekenis was en de strafmotivering niet onbegrijpelijk maakte.

De Hoge Raad verwierp alle cassatiemiddelen en bevestigde het arrest van het Hof. De strafoplegging werd passend geacht gezien de ernst van het feit en de omstandigheden, waaronder de eerdere veroordeling van verdachte in 1999. De zaak illustreert de zorgvuldigheid die vereist is bij bewijsvoering en strafmotivering, maar ook de ruimte voor het Hof om op basis van het geheel van omstandigheden te oordelen.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte voor weigering mee te werken aan een ademanalyse en handhaaft de opgelegde werkstraf en rijontzegging.

Conclusie

Nr. 12/01026
Zitting: 27 augustus 2013
Mr. Vellinga
Conclusie inzake:
[verdachte]
1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft - behoudens ten aanzien van de strafoplegging - bevestigd het vonnis van de Rechtbank te Amsterdam waarbij verdachte wegens “overtreding van artikel 163, tweede lid, van de Wegenverkeerswet 1994” is veroordeeld, het vonnis voor wat betreft de strafoplegging vernietigd en verdachte de straf opgelegd van een werkstraf voor de duur van 40 uren, subsidiair 20 dagen hechtenis en de verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ontzegd voor de duur van zes maanden. Voorts heeft het Hof de bewijsmiddelen aangevuld, een en ander als weergegeven in het arrest.
2. Namens verdachte heeft mr. J. Kuijper, advocaat te Amsterdam, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het
eerste middelhoudt in dat het Hof, door het vonnis deels te bevestigen, heeft verzuimd de redenen op te geven waarom het afwijkt van het in hoger beroep gevoerde uitdrukkelijk onderbouwde standpunt dat verdachte de tenlastegelegde feiten niet heeft gepleegd, omdat hij geen bestuurder is geweest en dat de betreffende verbalisanten vanuit de positie waarin zij zich bevonden zulks ook niet zouden hebben kunnen waarnemen.
4. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte het volgende aangevoerd:
“Over het gebeurde wil ik nog het volgende kwijt. Mijn vrouw heeft de politie gebeld nadat ik de deur van ons huis achter mij gesloten had. De politie arriveerde bij ons huis en ging naar binnen. Ik probeerde tot twee keer toe ook binnen te komen, maar werd beide keren door de politie weggestuurd. De politie heeft iets tegen mij.
Ik heb die dag niet gereden in de Toyota (het hof begrijpt: de auto van het merk Toyota) want die auto was van mijn vriend, hij heeft in die auto gereden. De politie was binnen in mijn huis en druk bezig om mij weg te sturen, dus de politie kan niet gezien hebben wie er in de Toyota reed. De politie vertelt leugens over mij en daarom heb ik hoger beroep ingesteld.”
5. Het Hof heeft hetgeen door de verdachte is aangevoerd kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359, tweede lid, Sv. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, omdat verdachtes verweer niet is geschraagd met argumenten. [1] Zo heeft verdachte de naam van zijn vriend niet genoemd en sluit de omstandigheid dat de verbalisanten druk bezig waren niet uit dat zij, zoals zij hebben verklaard (bewijsmiddel 1), hebben gezien dat verdachte wegreed.
6. Het middel faalt.
7. Het
tweede middelbehelst de klacht dat de bewijsmiddelen in zoverre niet redengevend zijn voor de bewezenverklaring dat daaruit niet kan volgen dat aan verdachte door een opsporingsambtenaar was bevolen medewerking te verlenen aan een ademonderzoek als bedoeld in art. 8, tweede lid, aanhef en onder a WVW, althans dat de bewijsmiddelen in dat opzicht tegenstrijdig zijn.
8. De Rechtbank heeft in het door het Hof bevestigde vonnis onder meer het proces-verbaal van 19 juli 2008 van verbalisant [verbalisant 2] tot bewijs gebezigd. Dit proces-verbaal houdt in:
“Op zaterdag 19 juli 2008 om 7.45 uur heb ik, verbalisant de verdachte [verdachte], geboren [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats], terwijl hij zich in het dagverblijf bevond, gevraagd of hij mee wilde lopen naar het ademanalyseapparaat. Ik zat dat de verdachte bleef zitten en niet opstond. Ik heb de verdachte vervolgens gevorderd mee te gaan naar het ademanalyseapparaat. Ik hoorde dat de verdachte zei: "Ik ga niet blazen".
9. Het Hof heeft de door de Rechtbank gebezigde bewijsmiddelen aangevuld met de verklaring van verbalisant [verbalisant 1], voor zover inhoudende:
“Ik hoorde collega [verbalisant 2] tegen de verdachte zeggen dat hem bevolen werd zijn medewerking te verlenen aan een onderzoek ingevolge artikel 8 lid 2 onder Pro a van de Wegenverkeerswet 1994. Vervolgens is de verdachte medegedeeld, dat een weigering van dit onderzoek een misdrijf oplevert.
De verdachte gaf geen gevolg aan dit bevel (voorblad 2 van het proces-verbaal).”
10. Gelet op de tot bewijs gebezigde verklaring van verbalisant [verbalisant 1] kan– anders dan het middel wil - uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid dat verdachte is bevolen mee te werken aan een ademanalyseonderzoek als bedoeld in art. 8 lid 2 onder Pro a van de Wegenverkeerswet 1994.
11. Het feit dat verbalisant [verbalisant 2] verdachte heeft gevorderd mee te lopen naar het ademanalyseappararaat sluit niet uit dat de verdachte – daaraan voorafgaand - is bevolen aan het ademanalyseonderzoek mee te werken. Van enige door het middel bedoelde tegenstrijdigheid tussen de verklaringen van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] is dus geen sprake.
12. Het middel faalt.
13. Het
derde middelhoudt in dat het Hof ten onrechte heeft overwogen dat het ten aanzien van de strafoplegging ten nadele van verdachte rekening heeft gehouden met een volgens het Hof in het uittreksel van de justitiële documentatie van 24 augustus 2011 voorkomende transactie voor rijden onder invloed van alcohol, terwijl uit het desbetreffende uittreksel niet van een dergelijke transactie zou blijken.
14. Het Hof heeft de strafoplegging als volgt gemotiveerd:
“Oplegging van straffen
De politierechter in de rechtbank Amsterdam heeft de verdachte voor het ten laste gelegde veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 40 uren subsidiair 20 dagen vervangende hechtenis. Daarnaast is aan de verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid opgelegd voor de duur van 8 maanden met aftrek overeenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, waarvan 98 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
Tegen voormeld vonnis is door de verdachte hoger beroep ingesteld.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een werkstraf van 40 uur, subsidiair 30 dagen en een ontzegging van de rijbevoegdheid van 9 maanden.
Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte.
Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft geweigerd een bevel tot medewerking aan een ademanalyse op te volgen. Dergelijke regels zijn opgesteld ten behoeve van de bevordering van de verkeersveiligheid, die in gevaar wordt gebracht als onder invloed van alcohol aan het verkeer wordt deelgenomen. De ademanalyse strekt ertoe te kunnen vaststellen of, en zo ja, in welke mate door een bestuurder onder invloed van alcohol is gereden en de uitslag daarvan is mede van belang voor de bepaling van de op te leggen straf. Door niet mee te werken aan dit onderzoek kan de verdenking niet nader worden geconcretiseerd en moet daarom in beginsel ervan worden uitgegaan dat de hoogste strafcategorie wordt toegepast.
Blijkens een de verdachte betreffend Uittreksel Justitiële Documentatie van 24 augustus 2011 is de verdachte eerder, te weten in 1999, ter zake van rijden onder invloed van alcohol veroordeeld en heeft hij in 2009 nog een transactie voor rijden onder invloed van alcohol betaald. Deze eerdere veroordeling en transactie hebben de verdachte er kennelijk niet van weerhouden om opnieuw over te gaan tot het plegen van een soortgelijk misdrijf. Hiermee houdt het hof, ten nadele van de verdachte, rekening.
Het hof acht, alles afwegende, een bevestiging van de door de politierechter opgelegde hoofdstraf passend en geboden. Aangezien ter zitting van het hof door de verdachte en het openbaar ministerie aangegeven is dat in deze zaak het rijbewijs van de verdachte niet ingevorderd is (geweest) zal het hof daarom dan ook geen aftrek overenkomstig artikel 179, zesde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 opleggen.”
15. Het uittreksel uit de justitiële documentatie van 24 augustus 2011, dat zich bevindt bij de in art. 434 lid 1 Sv Pro bedoelde stukken, houdt onder meer in dat verdachte in 2010 een transactie heeft voldaan ter zake van overtreding van art. 107 lid 1 WVW Pro 1994, gepleegd op 3 december 2009, en dat verdachte op 11 mei 1999 is veroordeeld wegens overtreding van art. 8 lid 2 aanhef Pro en onder a WVW 1994, gepleegd op 7 februari 1999. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie kan – anders dan het Hof bij de motivering van de strafoplegging overweegt - niet volgen dat de verdachte in 2009 een transactie voor rijden onder invloed van alcohol heeft voldaan. Dit gebrek is - in het geheel van de strafmotivering – echter van zo ondergeschikte betekenis dat het middel niet noopt tot vernietiging van de bestreden beslissing.
16. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
17. De middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
18. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006, 393, rov. 3.7.1.