Conclusie
1.De feiten en het procesverloop
2.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
onder 2.7). Het hof zou het verweer van de vrouw met betrekking tot de peiljaren ongemotiveerd hebben gepasseerd (
aanhef van onderdeel 2). De vrouw stelt dat het gebruikelijk is voor de vaststelling van de draagkacht van een ondernemer uit te gaan van het bedrijfsresultaat over de drie voorafgaande boekjaren. Gelet op de ingangsdatum 24 februari 2011, had het hof moeten uitgaan van het bedrijfsresultaat in de boekjaren 2008, 2009 en 2010. Dit klemt te meer in dit geval, nu op 24 februari 2011 – de peildatum − de cijfers over het boekjaar 2011 nog niet beschikbaar waren (
onder 2.2 - 2.3 en het aanvullend rekest onder 2.13). In het verlengde hiervan, voert de vrouw aan dat de man slechts voorlopige cijfers en niet de definitieve cijfers van het boekjaar 2011 aan het hof heeft overgelegd. Het hof heeft onvoldoende gemotiveerd hoe op basis van deze voorlopige cijfers tot een negatief resultaat van het boekjaar 2011 kan worden gekomen (
onder 2.5).
onder 3.4).
onderdeel 4komt de vrouw op tegen de beslissing van 23 mei 2012 om de vermindering van de alimentatie te doen ingaan per 24 februari 2011. De vrouw stelt dat het hof zonder redengeving voorbij is gegaan aan haar stelling ter zitting dat van haar niet kan worden verlangd dat zij de teveel ontvangen partneralimentatie terugbetaalt. Gelet op de hoogte van het als gevolg van de beschikking van het hof terug te betalen bedrag, moeten volgens de klacht aan de motivering hoge eisen worden gesteld (cassatierekest
onder 4.8 - 4.9)
naar aanleiding van hetgeen partijen hebben aangevoerd[cursivering van mij, A-G] zal moeten beoordelen of, en zo ja in hoeverre, in redelijkheid van de onderhoudsgerechtigde terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen in overeenstemming met haar behoefte aan levensonderhoud reeds is uitgegeven en, indien dit naar zijn oordeel het geval is, van zijn beoordeling rekenschap moet geven in de motivering [8] .
3.Bespreking van het voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddel
onder adat het oordeel dat de vrouw niet (volledig) door arbeid in haar eigen levensonderhoud kan voorzien, onbegrijpelijk is in het licht van de gedingstukken, in het bijzonder van de stelling van de man dat de vrouw niet met behulp van een medische verklaring heeft aangetoond dat zij niet kan werken.
Onder bklaagt hij dat het oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de (subsidiaire) stelling van de vrouw dat, ook wanneer het hof ervan uitgaat dat van haar mag worden gevergd dat zij betaald werk verricht, het haar op deze leeftijd niet meer zal gelukken door middel van inkomen uit arbeid in de kosten van haar eigen levensonderhoud te voorzien.
onderdeel 2komt het incidenteel middel op tegen rov. 9, waarin het hof omtrent de woonlasten van de man heeft overwogen.
- dat de beslissing om geen rekening te houden met de opgegeven huurlast van € 1.000,- per maand blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting: ook al zou de man daar niet wonen, dan neemt dit niet weg dat op de voet van het bepaalde in art. 1:397 BW Pro in beginsel alle lasten van invloed zijn op de draagkracht; het hof heeft niet vastgesteld dat de man deze huurlast niet daadwerkelijk betaalt (de klacht
- dat de bestreden overweging blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting voor zover deze inhoudt dat de huurlasten gezien de wisselende verklaringen niet als redelijke kosten zijn aan te merken en reeds daarom niet in de draagkrachtberekening kunnen worden meegenomen; volgens de klacht is dat niet voldoende om te kunnen oordelen dat de huurlasten niet op de draagkracht van invloed zijn (
- dat de bestreden overweging in ieder geval onbegrijpelijk is omdat de enkele omstandigheid dat wisselende verklaringen omtrent het woonadres zijn afgelegd, onverlet laat dat de man voor deze woning huurlasten voldoet(
- dat de bestreden overweging eveneens onbegrijpelijk is in het licht van de uitdrukkelijke betwisting door de man van de stelling van de vrouw dat hij met zijn vriendin in Delft samenwoont (
- dat ook niet beslissend is op welk adres hij staat ingeschreven; dat de bestreden overweging onbegrijpelijk is omdat de man consequent heeft gesteld dat hij ten tijde van de beslissing formeel op het adres van zijn bedrijfspand stond ingeschreven, maar al vanaf eind 2008 feitelijk woonde in de woning aan de Verspijcklaan en daarvoor de huurtermijnen voldoet en dat hij niet met zijn vriendin samenwoont (
onderdeel 3onder awijst de man erop dat hij als gevolg van een te hoge waardering van zijn bedrijfspand een te hoog bedrag in het kader van de vermogensverdeling heeft moeten voldoen en daartoe extern financiering heeft moeten aangaan, met hoge rentelasten als gevolg. De man stelt dat hij in de procedure bij het hof heeft aangevoerd, samengevat, dat de rechtbank de bedrijfsresultaten ten onrechte heeft vermeerderd met deze extra rentelasten. Hij klaagt dat het hof met schending van art. 23 en Pro 24 Rv aan deze grief is voorbijgegaan, dan wel op dit punt in zijn redengeving tekort is geschoten.
Onder b en cveronderstelt de man dat het hof aan dit deel van zijn grieven voorbij is gegaan omdat het tardief is aangevoerd.