1 Inspecteur van de Belastingdienst/P.
2 Zie onderdeel 4.7 van deze conclusie.
3 De in deze conclusie vermelde citaten uit jurisprudentie en literatuur zijn zonder daarin voorkomende voetnoten opgenomen. Citaten uit de processtukken waarin een tekstbewerking voorkomt, zoals onderstrepingen, vet- of cursiefzettingen, zijn veelal als onbewerkt weergegeven.
4 Zie onderdeel 4.15 van deze conclusie.
5 Rechtbank te Arnhem 23 september 2008, nr. 173374/KG ZA 08-484, LJN BF5174, NTFR 2009/311 met noot Van der Voort Maarschalk.
6 Zie bijlage 5 bij het verweerschrift bij de Rechtbank.
7 De groep waartoe belanghebbende behoort (noot toegevoegd, RIJ).
8 Rechtbank te Arnhem 16 december 2010, nr. 10/1175, LJN BO8093, NTFR 2011/171 met noot Lammers.
9 Zie nader onderdeel 5.9 van deze conclusie.
10 Hoge Raad 13 mei 2011, nr. 10/03845, LJN BQ4291, BNB 2011/218 met noot Bartel; zie onderdeel 4.35 van deze conclusie.
11 Gerechtshof te Arnhem 20 maart 2012, nr. 11/00043 tot en met 11/00058, LJN BW0442, NTFR 2012/1092 met noot Van Wordragen.
12 Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (PbEU L 376).
13 Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 5, p. 3.
14 Kamerstukken II 2005/06, 30 345, nr. 2, p. 4.
15 Kamerstukken II 2005/06, 30 345, nr. 3, p. 24-25.
16 Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, p. 11.
17 Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, p. 12.
18 Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, p. 12.
19 Kamerstukken II 2004/05, 29 934, nr. 6, p. 7.
20 Kamerstukken II 2005/06, 29 934 en 30 322, nr. 19, p. 3.
21 Kamerstukken II 2005/06, 29 934 en 30 322, nr. 19, p. 8.
22 Kamerstukken II 2005/06, 30 345, nr. 3, p. 9.
23 Kamerstukken II 2005/06, 30 345, nr. 3, p. 10.
24 Kamerstukken II 2005/06, 30 345, nr. 3, p. 16. Nota bene, in de MvT is het betreffende lid opgenomen als ontwerp-lid 3, later is het vernummerd naar lid 2.
25 Kamerstukken II 2005/06, 30 345, nr. 3, p. 17.
26 Kamerstukken II 2005/06, 30 345, nr. 3, p. 20.
27 Zie 4.6 en 4.7.
28 Kamerstukken II 2005/06, 29 934 en 30 322, nr. 19, p. 9.
29 Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 9, p. 13.
30 Kamerstukken II 2005/06, 30 322, nr. 13, p. 10.
31 Hoge Raad 1 april 2005, nr. 40.112, LJN AT3034, BNB 2005/316.
32 Hoge Raad 13 mei 2011, nr. 10/03845, LJN BQ4291, BNB 2011/218 met noot J.C.K.W. Bartel.
33 Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 11 april 2012, nr. 201108184/1/A3, LJN BW1571, AB 2012/193 met noot Stolk.
34 Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 6 mei 2010, nr. 201002924/2/M1, LJN BM4185.
35 Centrale Raad van Beroep 8 mei 2012, nr. 11/778 WWB, LJN BW5453, USZ 2012/169.
36 Centrale Raad van Beroep 24 augustus 2011, nr. 10/6729 AWBZ, LJN BR7009, GST 2011/128 met noot Lagerweij-Duits.
37 Hoge Raad 15 april 2005, nr. 40.642, LJN AT3989, BNB 2005/252 met noot IJzerman.
38 Zie Rechtbank te Amsterdam 17 februari 2012, nrs. AWB 11/565, 11/566 en 11/568 BIBOB, LJN BV7192.
39 Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 7 maart 2012, nr. 201107527/1/A1, LJN BV8045.
40 A.Q.C. Tak, Het Nederlands bestuursprocesrecht in theorie en praktijk. Deel II: Formeel procesrecht, Den Haag: Sdu 2011, p. 1319.
41 R. Stijnen, 'Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen (II), NJB 2010, 377.
42 R.P. den Otter, 'Met een pokerface aan de roulettetafel. Verschillen in de beoordeling van de ontvankelijkheid door de hoogste bestuursrechters', JBplus 2008, p. 93-101.
43 Zie 4.4.
44 Zie 4.10.
45 Zie 4.14.
46 Zie 4.15.
47 Zie 4.9.
48 Zie 4.9.
49 Zie 4.8.
50 Zie 4.11.
51 Zie 4.1.
52 Vgl. 4.30.
53 Zie nader mijn conclusie voor HR 23 maart 2012, nr. 11/01321, LJN BV0655, BNB 2012/157.
54 Zie 3.3, beroepschrift in cassatie, blz. 1, ad 1.
55 Hoge Raad 1 april 2005, nr. 40.112, LJN AT3034, BNB 2005/316; zie onderdeel 4.34 van deze conclusie. Dit arrest opent nog niet de weg naar ambtshalve onderzoek van feiten m.b.t. de ontvankelijkheidsvraag in bezwaar.
56 Hoge Raad 13 mei 2011, nr. 10/03845, LJN BQ4291, BNB 2011/218 met noot J.C.K.W. Bartel; zie onderdeel 4.35 van deze conclusie.
57 Vgl. Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 11 april 2012, nr. 201108184/1/A3, LJN BW1571, AB 2012/193 met noot Stolk, waarin in hoger beroep ambtshalve de ontvankelijkheid in beroep is beoordeeld en de feiten in dat verband onderzocht zijn; zie onderdeel 4.36 van deze conclusie. Vgl. ook Centrale Raad van Beroep 24 augustus 2011, nr. 10/6729 AWBZ, LJN BR7009, GST 2011, 128 met noot Lagerweij-Duits; zie onderdeel 4.39 van deze conclusie. Zie ook 4.45.
58 Zie 5.5-5.7.
59 Zie 4.12.
60 Zie 4.44.
61 Zie 4.16 tot en met 4.19 van deze conclusie.
62 Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 6 mei 2010, nr. 201002924/2/M1, LJN BM4185; zie onderdeel 4.37 van deze conclusie. Centrale Raad van Beroep 8 mei 2012, nr. 11/778 WWB, LJN BW5453, USZ 2012, 169; zie onderdeel 4.38 van deze conclusie. Zie overigens (niet in deze conclusie opgenomen): Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 3 december 2009, nr. 200908070/2/M2, LJN BK8222; Voorzitter Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 3 december 2009, nr. 200907960/2/M2; Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 8 januari 2010, nr. 200908837/2/R2; Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 15 januari 2010, nr. 200908042/3/R2; Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 29 maart 2010, nr. 200910189/3/R1; Centrale Raad van Beroep 24 augustus 2011, nr. 10/6729 AWBZ, LJN BR7009, GST 2011, 128 met noot Lagerweij-Duits. In de lagere belastingrechtspraak heeft de Rechtbank te Breda het overgangsrecht op gelijke wijze uitgelegd; Rechtbank te Breda 16 februari 2011, nr. 10/3696, LJN BP7733, VN 2001/23.24.7 (niet in deze conclusie opgenomen).
63 Zie 4.7.
64 Zie 4.4.
65 Zie 4.9.
66 Zie 4.7.
67 Hoge Raad 15 april 2005, LJN AT3989, BNB 2005/252 met noot IJzerman; zie onderdeel 4.40 van deze conclusie.
68 Zie 4.13.
69 Zie 4.2.
70 Zie 4.13.
71 Zie 4.3.
72 Zie 4.32.
73 Zie 4.33.
74 Zie 2.19.
75 Zie 4.7.
76 Zie 3.3, beroepschrift in cassatie, blz. 1, ad 2.
77 Zie 4.20, 4.21 en 4.29.
78 Datum k.g. vonnis. De dagvaarding in k.g. behoort niet tot het procesdossier; datum mij onbekend.
79 Zie 4.22, 4.23 en 4.29.
80 Zie 4.29.
81 Zie 4.7.
82 Impliciet: Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 6 mei 2010, nr. 201002924/2/M1, LJN BM4185; zie onderdeel 4.37 van deze conclusie. In de lagere belastingrechtspraak is dit uitdrukkelijk overwogen. Zie (niet in deze conclusie opgenomen): Rechtbank te Breda 16 februari 2011, nr. 10/3694, LJN BP7729, NTFR 2011/1211 met noot Niessen-Cobben; Rechtbank te Breda 16 februari 2011, nr. 10/3696, LJN BP7733, NTFR 2011/759.
83 Zie 4.27.
84 Vgl. Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 6 mei 2010, nr. 201002924/2/M1, LJN BM4185; zie onderdeel 4.37 van deze conclusie; Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State 7 maart 2012, nr. 201107527/1/A1, LJN BV8045; zie onderdeel 4.42 van deze conclusie. Voor gelijksoortige voorbeelden uit de lagere belastingrechtspraak, zie (niet in deze conclusie opgenomen): Rechtbank te Breda 16 februari 2001, nr. 10/3694, LJN BP7729, NTFR 2011/1211 met noot Niessen-Cobben; Rechtbank te Breda 16 februari 2001, nr. 10/3696, LJN BP7733, NTFR 2011/759; Rechtbank te Breda 25 mei 2011, nr. 11/980, LJN BQ9996, NTFR 2011/1766 met noot Thijssen. Vgl. ook de lagere niet-fiscale bestuursrechtspraak (niet in deze conclusie opgenomen): Rechtbank te Amsterdam 28 juli 2010, nr. AWB 10/884 AW, LJN BO1562; Rechtbank te Arnhem 7 september 2010, nrs. AWB 10/1305 en 10/1038, LJN BN6401; Rechtbank te Amsterdam 23 maart 2011, nr. AWB 10/5235 HOREC, LJN BQ3604; Rechtbank te Amsterdam 2 augustus 2011, nr. AWB 11/1512 WBP, LJN BR5758; Rechtbank te Zwolle 9 november 2011, nr. Awb 11/110, LJN BU4805; Rechtbank te Amsterdam 23 december 2011, nr. AWB 11/3734 WAO, LJN BV1473; Rechtbank te Rotterdam 14 juni 2012, nr. AWB 11/1416, LJN BW8407.
85 Zie noot 78.
86 Zie Rechtbank te Amsterdam 17 februari 2012, nrs. AWB 11/565, 11/566 en 11/568 BIBOB, LJN BV7192. In die zaak had de belanghebbende de ingebrekestelling gericht aan de gemeente Amsterdam (de rechtspersoon) in plaats van aan de afzonderlijke bestuursorganen, waarmee zij de bestuursorganen niet in gebreke had gesteld. Kennelijk had het schrijven de bestuursorganen wel bereikt, want zij waren uit coulance overgegaan tot het betalen van dwangsommen; zie 4.41. Zie ook 4.43.
87 Hetgeen er mee te maken kan hebben dat een bepaald bestuursorgaan, zoals de Inspecteur, als zodanig niet kon worden gedagvaard.
88 Zie voor het door onderscheid tussen een bezwaarschrift (oud recht) en een ingebrekestelling (nieuw recht) onderdelen 5.5-5.7 en 5.32 van deze conclusie.
89 Zie 3.3, beroepschrift in cassatie, blz. 1, ad 3.
90 Zie 4.7.
91 Zie 4.26.
92 Zie 4.24 en 4.25.
93 In de wetsgeschiedenis is als een voorbeeld genoemd dat ingebrekestelling niet kan worden gevergd in een situatie waarin een besluit naar zijn aard zeer spoedeisend is. Dit voor de fiscaliteit van beperkt belang zijnde voorbeeld sluit niet uit dat zich nog vele andere situaties kunnen (gaan) voordoen waarin ingebrekestelling niet vereist is. Zie 4.31.
94 Zie 5.31.