ECLI:NL:PHR:2012:BY2723
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep inzake ontheffing ouderlijk gezag bevestigd
Deze zaak betreft twee cassatieberoepen tegen beslissingen van het hof waarin ontheffing uit het ouderlijk gezag werd bekrachtigd ten aanzien van twee minderjarige kinderen geboren in november 1997 en november 2001. De verzoekers tot cassatie betoogden dat het hof onvoldoende rekening had gehouden met verbeterde contacten tussen de ouders en de gezinsvoogd, het regelmatige contact tussen ouders en kinderen, en de voorkeur van de minderjarigen voor hereniging met hun ouders.
De Hoge Raad overweegt dat de klachten in hoofdzaak neerkomen op een verzoek tot herbeoordeling van feiten en omstandigheden, hetgeen op grond van de artikelen 419 lid 3 en 429 lid 2 Rv niet mogelijk is in cassatie. De motiveringsklachten zijn onvoldoende onderbouwd en bieden geen aanleiding voor een ander oordeel.
De Procureur-Generaal adviseert daarom om toepassing te geven aan artikel 80a RO, dat bepaalt dat cassatieklachten die klaarblijkelijk niet tot cassatie kunnen leiden niet-ontvankelijk worden verklaard. De Hoge Raad volgt dit advies en verklaart de verzoekers niet-ontvankelijk in hun cassatieberoepen.
De beslissing bevestigt daarmee de eerdere uitspraken van het hof en rechtbank die de ontheffing van het ouderlijk gezag hebben uitgesproken, waarbij de rapporten van de Raad voor de Kinderbescherming als belangrijke informatiebronnen zijn gebruikt.
Deze uitspraak benadrukt de terughoudendheid van de Hoge Raad bij het toetsen van feitelijke waarderingen in cassatieprocedures en bevestigt de toepassing van artikel 80a RO om niet-ontvankelijkheid te verklaren bij onvoldoende gegronde klachten.
Uitkomst: De verzoekers worden niet-ontvankelijk verklaard in hun cassatieberoepen tegen de ontheffing van het ouderlijk gezag.