ECLI:NL:PHR:2012:BY1383
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid cassatieberoep wegens niet-tijdige betaling griffierecht
Verzoekster heeft op 29 juni 2012 beroep in cassatie ingesteld tegen een beschikking van het gerechtshof. De advocaat van verzoekster ontving op 10 juli 2012 een nota voor het griffierecht van €302, met een betalingstermijn tot uiterlijk 27 juli 2012. De betaling werd echter niet tijdig voldaan, waardoor de griffie op 30 juli 2012 een mededeling stuurde dat het griffierecht niet tijdig was betaald en verzocht om een schriftelijke reactie binnen veertien dagen.
De advocaat betaalde het griffierecht alsnog op 6 augustus 2012 en gaf aan dat een tijdelijke vervanger van zijn secretaresse ten onrechte uitging van een betalingstermijn van vier weken vanaf ontvangst van de nota, waardoor de nota niet tijdig werd verwerkt. Volgens artikel 3 lid 4 Wet Pro griffierechten burgerlijke zaken moest het griffierecht binnen vier weken na indiening van het verzoekschrift zijn betaald, wat niet was gebeurd.
Op grond van artikel 282a lid 2 in verbinding met artikel 427b Rv behoort verzoekster daarom niet ontvankelijk te worden verklaard in haar cassatieberoep. De hardheidsclausule, bedoeld om onbillijkheden te voorkomen, is niet van toepassing omdat de vertraging niet te wijten is aan de griffie en er geen omstandigheden zijn die een uitzondering rechtvaardigen.
De conclusie van de Procureur-Generaal bij de Hoge Raad is dan ook dat het cassatieberoep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-tijdige betaling van het griffierecht.