ECLI:NL:PHR:2012:BX8076

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
30 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/01583 P
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 OpiumwetArt. 359 SvArt. 511e SvArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling ontnemingsmaatregel wegens opzettelijk handelen in strijd met Opiumwet

Het Gerechtshof te Arnhem heeft bij uitspraak van 21 maart 2011 de betrokkene veroordeeld tot betaling van €9.739,44 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, voortvloeiend uit opzettelijk handelen in strijd met artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet en andere strafbare feiten.

Tegen dit arrest heeft de betrokkene cassatie ingesteld. Het middel richt zich op de klacht dat het hof onvoldoende gemotiveerd zou hebben beslist op een uitdrukkelijk door de betrokkene ingenomen standpunt, zoals vereist op grond van artikel 359, tweede lid, Sv.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof dit standpunt niet als een duidelijk, onderbouwd en ondubbelzinnig standpunt heeft opgevat, wat niet onbegrijpelijk is. De Hoge Raad vindt geen reden tot vernietiging van het arrest en verwerpt het cassatieberoep.

Hiermee blijft de ontnemingsmaatregel van €9.739,44 in stand, waarmee de betrokkene wordt verplicht tot betaling aan de Staat van dit bedrag.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de ontnemingsmaatregel van €9.739,44 blijft in stand.

Conclusie

Nr. 11/01583 P
Mr. Vegter
Zitting 4 september 2012
Conclusie inzake:
[Betrokkene](1)
1. Het Gerechtshof te Arnhem, zitting houdende te Leeuwarden, heeft bij uitspraak van 21 maart 2011 het door de betrokkene - uit het "opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod" en andere strafbare feiten - wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 9.739,44 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 9.739,44.
2. Mr. F.H. Gart, advocaat te Leeuwarden, heeft cassatie ingesteld. Namens de betrokkene heeft mr. V.C. van der Velde, advocaat te Almere, bij schriftuur een middel van cassatie voorgesteld.
3.1. Het middel behelst de klacht dat het Hof ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, geen gehoor heeft gegeven aan art. 359, tweede lid, Sv(2) nu op een uitdrukkelijk gevoerd standpunt van de betrokkene geen voldoende gemotiveerde beslissing is gegeven.
3.2. De steller van het middel heeft blijkens de toelichting het oog op het volgende gedeelte uit de ter terechtzitting in hoger beroep door de betrokkene afgelegde verklaring:
"De eerste oogst kon min of meer de prullenbak in. Dat wat ik zou hebben gezegd over de opbrengst van de eerste oogst, dat die opbrengst 1500 euro zou zijn, klopt trouwens niet helemaal. De kosten van de opbouw van de kwekerij hebben wij samen betaald."
3.3. Het Hof heeft dit kennelijk niet opgevat als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt, dat wil zeggen een standpunt dat duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht.(3) Dat is niet onbegrijpelijk.
3.4. Het middel faalt.
4. Het middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
1 Deze zaak hangt samen met zaak 11/01572 (strafzaak) tegen de betrokkene, waarin ik vandaag eveneens zal concluderen.
2 In verbinding met art. 511e Sv is art. 359, tweede lid, Sv ook op de ontnemingsprocedure van toepassing, vgl. HR 5 februari 2008, LJN BC2913, NJ 2008/288 m.nt. Borgers.
3 HR 11 april 2006, LJN AU9130, NJ 2006/393 m.nt. Buruma, rov. 3.7.1.