ECLI:NL:PHR:2012:BX7493
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling bij betwisting van schulden
De zaak betreft een verzoeker tot cassatie die na een faillissementsaanvraag een verzoek deed om toegelaten te worden tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (WSNP). De rechtbank wees dit verzoek af omdat niet aannemelijk was gemaakt dat verzoeker te goeder trouw was met betrekking tot het ontstaan en het onbetaald laten van een aanzienlijke belastingschuld.
Het hof Amsterdam bekrachtigde dit vonnis en stelde dat het bestaan van de schulden als uitgangspunt moest worden genomen bij de beoordeling van het verzoek tot toelating, omdat de toelating immers werd verzocht met het oog op de sanering van die schulden. Verzoeker kwam vervolgens in cassatie tegen dit oordeel.
De Hoge Raad verwierp het cassatieberoep. Hij stelde dat artikel 299 lid 1 onderdeel Pro a Fw bepaalt dat de schuldsaneringsregeling alleen werkt ten aanzien van schulden die ten tijde van de uitspraak bestaan, maar dat dit niet betekent dat bij de beoordeling van het verzoek tot toelating al moet worden vastgesteld of de schulden daadwerkelijk bestaan. De procedure is een spoedprocedure waarbij de rechter uitgaat van de door de schuldenaar opgevoerde schulden. De vaststelling van het bestaan en de omvang van schulden vindt plaats in een latere verificatieprocedure.
Hierdoor was het oordeel van het hof, dat het bestaan van de schulden als uitgangspunt diende bij de beoordeling van het verzoek, niet onjuist. De overige klachten van verzoeker bouwden voort op dit standpunt en faalden eveneens. Het cassatieberoep werd verworpen.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam wordt bekrachtigd.