ECLI:NL:PHR:2012:BX5589
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van het toestemmingsvereiste voor faillissementsaanvraag door de ontvanger van de belastingdienst
In deze zaak is [verzoekster] failliet verklaard op verzoek van de ontvanger van de belastingdienst. De rechtbank en het hof bevestigden deze faillietverklaring. [Verzoekster] kwam vervolgens in cassatie tegen deze beslissingen.
Het centrale geschil betreft de vraag of de ontvanger voor het aanvragen van het faillissement schriftelijke toestemming van het Ministerie van Financiën moet hebben, en of het ontbreken daarvan de aanvraag onrechtmatig maakt. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat deze toestemming geen constitutief vereiste is voor het aanvragen van faillissement door de ontvanger.
De Hoge Raad overweegt verder dat de interne instructies van de Belastingdienst, waaronder de Instructie Invordering en Belastingdeurwaarders, administratieve richtlijnen zijn die geen rechten voor de belastingplichtige scheppen. Ook het argument dat de toestemming een lege huls zou zijn, wordt verworpen omdat uit evaluaties blijkt dat machtigingen vrijwel altijd worden verleend wanneer aan de voorwaarden is voldaan.
De klachten van [verzoekster] worden verworpen en het cassatieberoep wordt afgewezen. Hiermee wordt bevestigd dat de ontvanger niet verplicht is om de toestemmingsaanvraag aan het geding toe te voegen en dat het ontbreken daarvan niet leidt tot onrechtmatigheid van de faillissementsaanvraag.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het faillissement van verzoekster blijft gehandhaafd.