ECLI:NL:PHR:2012:BX5126

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
9 oktober 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11/00159
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13 Wet wapens en munitieArt. 6 EVRMArt. 81 ROArt. 290 lid 4 SvArt. 292 lid 3 Sv
Verwijzingen
11 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bewijs en procedure bij handel in strijd met Wet wapens en munitie

Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage veroordeeld wegens handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie, met oplegging van een voorwaardelijke geldboete en onttrekking van een paintballgeweer aan het verkeer.

De Hoge Raad behandelt drie cassatiemiddelen: het ontbreken van een grondslag voor de eigen waarneming van het hof, het niet beëdigd zijn van getuigen-deskundigen in de zaak van verdachte en het overschrijden van de redelijke termijn. Het hof had vastgesteld dat het paintballgeweer qua vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen, hetgeen door het tonen van het geweer en vuurwapens tijdens de terechtzitting werd ondersteund.

Hoewel het proces-verbaal niet expliciet vermeldt dat het geweer en vuurwapens zijn getoond, acht de Hoge Raad dit niet schadelijk voor de verdachte. Ook het ontbreken van een afzonderlijke beëdiging van getuigen-deskundigen in de zaak van verdachte wordt gecompenseerd doordat de zaak gelijktijdig met die van medeverdachte is behandeld en de getuigen hun eed in die zaak hebben afgelegd. De overschrijding van de redelijke termijn wordt erkend maar leidt niet tot niet-ontvankelijkheid vanwege de voorwaardelijke straf.

De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het arrest van het hof.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte wegens handelen in strijd met de Wet wapens en munitie met een voorwaardelijke geldboete.

Conclusie

Nr. 11/00159
Mr. Vellinga
Zitting: 26 juni 2012
Conclusie inzake:
[Verdachte]
1. Verdachte is door het Gerechtshof te 's-Gravenhage wegens "Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie" veroordeeld tot een voorwaardelijke geldboete van € 160,-, subsidiair 3 dagen hechtenis. Voorts heeft het Hof het inbeslaggenomen paintballgeweer onttrokken aan het verkeer.
2. Namens verdachte heeft mr. M.W. Stoet, advocaat te 's-Gravenhage, drie middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel klaagt dat de voor het bewijs gebezigde eigen waarneming van het Hof geen grondslag vindt in het proces-verbaal van de terechtzitting en derhalve onbegrijpelijk is.
4. Het bestreden arrest houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:
"In het dossier bevindt zich een proces-verbaal van de politie Hollands Midden, Korpsrecherche, Forensische opsporing, Regionaal Bureau Wapens en Munitie van 27 februari 2008. In dit proces-verbaal wordt gerelateerd dat het onder de verdachte inbeslaggenomen voorwerp qua vorm en afmeting een gelijkenis vertoont met een bestaand vuurwapen. Van zowel het paintballgeweer als dat vuurwapen bevinden zich foto's in het dossier.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2010 is door het openbaar ministerie een paintballgeweer van voormeld merk en type getoond ter bezichtiging door alle procesdeelnemers, terwijl voorts vuurwapens zijn getoond.
Het hof heeft aldaar vastgesteld dat het bewuste paintballgeweer een voorwerp is dat voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een wapen en in zoverre voor bedreiging of afdreiging geschikt is.
(...)"
5. De aanvulling met bewijsmiddelen als bedoeld in art. 365a, tweede lid, Sv houdt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant, in:
"2. De eigen waarneming van het hof.
Het hof heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2010 waargenomen - zakelijk weergegeven-:
Dat het paintballgeweer van het merk Tippmann, type X7, een voorwerp is dat voor wat betreft vorm en afmetingen een sprekende gelijkenis vertoont met een vuurwapen. (Hof: in het arrest is, gelet ook op de voorlaatste alinea van blz. 3, in de laatste alinea abusievelijk het woorddeel "vuur" voor "wapen" weggevallen.)"
6. In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat, anders dan in het bestreden arrest is opgenomen, uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2010 niet blijkt dat door het Openbaar Ministerie vuurwapens en een paintballgeweer soortgelijk aan het onder de verdachte inbeslaggenomen paintballgeweer zijn getoond. Dat de getuige-deskundige [getuige 1] het door hem blijkens genoemd proces-verbaal van de terechtzitting meegenomen paintballgeweer en andere door hem meegenomen vuurwapens ter terechtzitting heeft getoond, zou evenmin uit genoemd proces-verbaal blijken.
7. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 24 juni 2010 houdt inderdaad niet in dat - zoals in het bestreden arrest is opgenomen - op genoemde zitting door het Openbaar Ministerie een paintballgeweer van het merk Tippmann, type X7, en vuurwapens zijn getoond.
8. Omdat er gezien hetgeen het Hof te dien aanzien in zijn arrest - in cassatie in zoverre niet bestreden - overweegt geen enkele twijfel over behoeft te bestaan dat ter terechtzitting door het Openbaar Ministerie een paintballgeweer van voormeld merk en type is getoond ter bezichtiging door alle procesdeelnemers en vuurwapens zijn getoond, is de door het middel geconstateerde misslag in het proces-verbaal van de terechtzitting bestaande in het niet vermelden van het tonen van een paintballgeweer van het merk Tippmann, type X7. en vuurwapens niet van dien aard dat de verdachte daardoor is geschaad in zijn rechtens beschermde belangen. Daarom behoeft het middel niet tot cassatie te leiden.
9. Het middel is tevergeefs voorgedragen.
10. Het tweede middel dat klaagt over het niet in verdachtes zaak beëdigd zijn van de getuigen-deskundigen [getuige 1 t/m 3], en over het niet aan de verdachte bieden van de mogelijkheid opmerkingen te maken naar aanleiding van de gehoorde getuigen-deskundigen.
11. Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting is de zaak van de verdachte gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de zaak tegen de verdachte [medeverdachte] (in wiens bedrijf volgens bewijsmiddel 3 het paintballgeweer van de verdachte, op het bezit waarvan de bewezenverklaring in verdachtes zaak is toegesneden, is aangetroffen). Het proces-verbaal van de terechtzitting bevat verklaringen van drie getuigen-deskundigen, die zich - kort gezegd - hebben uitgelaten over de in de onderhavige zaak blijkens de overwegingen van het Hof centraal staande vraag of een paintballgeweer een vuurwapen is in de zin van de Wet wapens en munitie. Hoewel het proces-verbaal van de terechtzitting tevens vermeldt dat deze getuigen-deskundigen zijn opgeroepen en beëdigd in de zaak [medeverdachte] en verdachte en zijn raadsman de gelegenheid is gegeven de getuigen-deskundigen in de zaak [medeverdachte] vragen te stellen moet het ervoor worden gehouden dat de - volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in verdachtes zaak ter terechtzitting aanwezige - getuigen-deskundigen hun verklaringen ook hebben afgelegd in de zaak tegen de verdachte. Dat springt temeer in het oog nu hun verklaringen in het proces-verbaal van de terechtzitting in verdachtes zaak zijn weergegeven "voor zover ter zake van belang" terwijl zij in de zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] uitgebreidere verklaringen hebben afgelegd.
12. Het middel klaagt dus terecht dat de getuigen-deskundigen ook in verdachtes zaak hadden dienen te worden beëdigd en dat verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid hadden dienen te worden gesteld opmerkingen te maken naar aanleiding van hetgeen de getuigen-deskundigen hebben verklaard (art. 292 lid 3 jo Pro. 299 Sv).
13. Nu echter de zaken tegen de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] gelijktijdig zijn behandeld en er, gelet op de bestendige praktijk, dus in cassatie van moet worden uitgegaan dat de getuigen-deskundigen maar eenmaal zijn gehoord in zowel verdachtes zaak als in die van de medeverdachte [medeverdachte], moet het er - zo zij inderdaad uitsluitend zijn beëdigd in de zaak van de medeverdachte [medeverdachte] - in cassatie voor worden gehouden dat zij hun verklaring hebben afgelegd onder verband van de eed of belofte die zij in de zaak [medeverdachte] hebben afgelegd, zoals daarvan blijkt uit het proces-verbaal van de terechtzitting in de eveneens bij de Hoge Raad aanhangige zaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (griffienr. 10/03061). Een en ander betekent dat de verdachte door het onderhavige gebrek niet is geschaad in zijn rechtens beschermde belangen.
14. Het verzuim de verdachte en zijn raadsman in de gelegenheid te stellen opmerkingen te maken na afloop van de verhoren van de getuigen-deskundigen wordt door de wet niet met nietigheid bedreigd. Nu voorts verdachte en zijn raadsman wel in de gelegenheid zijn gesteld vragen aan de getuigen-deskundigen te stellen en kennelijk niet hebben gevraagd ook opmerkingen te mogen maken naar aanleiding van de afgelegde verklaringen en verdachtes raadsman ook bij pleidooi geen opmerkingen over de verklaringen van de getuigen-deskundigen heeft gemaakt, is de verdachte door het onderhavige gebrek niet geschaad in zijn rechtens beschermde belangen.
15. Het voorgaande brengt mee dat het middel tevergeefs is voorgedragen.
16. Het derde middel klaagt dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro is overschreden, nu de stukken te laat door het Hof zijn ingezonden.
17. Het cassatieberoep is ingesteld op 13 juli 2010. De stukken van het geding zijn blijkens een daarop gezet stempel op 14 oktober 2011 bij de Hoge Raad binnengekomen. Dat brengt met zich dat de inzendtermijn van acht maanden is overschreden. Voorts zal de Hoge Raad in deze zaak uitspraak doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Het middel is dan ook terecht voorgesteld. Nu aan de verdachte evenwel een geheel voorwaardelijke straf is opgelegd, kan met de enkele constatering dat de redelijke termijn is overschreden, worden volstaan.(1)
18. Overigens merk ik nog op dat er in de toelichting op het middel aan voorbij wordt gezien dat overschrijding van de redelijke termijn nimmer leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in de vervolging.(2)
19. Het eerste en het tweede middel kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO Pro bedoelde motivering.
20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG
1 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.6.2. onder C.
2 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.5.1.