ECLI:NL:PHR:2012:BX4288
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vernietiging veroordeling wegens feitelijke aanranding zonder seksuele intentie
Op 4 januari 2010 heeft verdachte samen met een medeverdachte een vrouw op straat in Rotterdam ongewild op haar billen aangeraakt. Het hof verklaarde dit bewezen en veroordeelde verdachte wegens medeplegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid op grond van art. 246 Sr Pro. Het hof oordeelde dat het aanraken van de billen, ondanks het ontbreken van seksuele intentie, toch een ontuchtige handeling vormde.
Verdachte stelde in hoger beroep dat het handelen niet als ontuchtig kon worden gekwalificeerd, omdat het een speelse, kwajongensachtige actie betrof zonder seksuele bedoeling. De Hoge Raad stelt dat het hof een te ruime en onjuiste uitleg gaf aan het begrip 'ontuchtige handelingen'. Het enkele feit dat de handeling als ongewenst werd ervaren, is onvoldoende; het moet een seksuele strekking hebben die strijdig is met de sociaal-ethische norm.
De Hoge Raad benadrukt dat het hof onvoldoende heeft onderbouwd waarom het aanraken van de billen in deze omstandigheden een ontuchtige handeling zou zijn, vooral omdat de seksuele intentie ontbrak en het gedrag meer lijkt op onbetamelijk maar niet ontuchtig handelen. Daarom is de bewezenverklaring niet met redenen omkleed en vernietigt de Hoge Raad het arrest van het hof. De zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe beslissing.
Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest van het hof wegens een te ruime uitleg van het begrip ontuchtige handelingen en verwijst de zaak terug.